II.
Meester Trommelstok regeerde
Achter hem tot in vijftien.
Alomme, waer 't manneken wierd gezien,
Was er rumoer: elkeen marcheerde,
Lyceumscholier en oorlogsman,
Op het rusteloos razende rataplan.
Waterloo verbrak de trommel:
Nommer éen kreeg zijn congé,
En men stak hem diep, diep in zee
Op een eiland, vol golvengerommel,
Tot men hem naer zijn oud logist
Voerde, niet dood, ofschoon in der kist.
Meester Trommelstok de derde
(Of de tweede, 'k en weet het niet juist),
Daegde. Dat trommelen, lang al verhuist,
Bracht deze weêr, als een konstjen, te berde,
Dat, zonder halte of taptoe te slaen,
't Glorievliegertjen op doet gaen.
Ook hernaeide men dezer dagen
't Doodversletene ezelsvel,
En rehabiliteerde het spel,
Den invaliede tot welbehagen,
En tot luste des helds, wien men moed rap schinkt,
Als hij jenever met poêr knap drinkt.