Skip to content
1859

Nazomer

Prudens Duyse

II.

Hem deed dan nooit zijn ziel, verheven priesterin, Ten dank- of smeekgebed de handen samenvouwen, - Nooit den Onzichtbare in het scheppingruim aenschouwen! Der biën republiek, met harer koningin, Der mieren nijvrig huisgezin, Dit alles boezemde hem kinderlik vertrouwen, Noch liefde, noch verrukking in!

Gods hemelen veropenbaerden Dien mensch dan niet zijn majesteit! Van loutren zaligheên heeft hij dan nooit geschreid, Als zich de starren in haer legerorde schaerden, En, met haer vonklend oog, vol liefde nederstaerden In de onafmeetlikheid!

Hij heeft geen schepsel dan verloren, Dat hij verlangde weêr te zien in 's Heeren schoot! Geene eenzaemheid kon zelv' zijn leven dan bekoren, - Zijn leven, slechts een lange dood!

Geen enkle weldaed heeft zijn' naem dan ooit doen klimmen Tot God in 't dankgebed? Geen vrouw, geen maegd, geen kind, Deed in zijne oogen dan wat menschenvreugde glimmen! Hij heeft dan niets, ach, niets bemind! Geen hond, geen vogel, geene bloemen! Hij doemde dan 't heelal! 't heelal moest dan hem doemen, Als voor de ellende doof, en voor 't genoegen blind!

Zoo was, onttooverd voor zijn blikken, Dan gantsch natuer een droom, die hem bedrogen heeft! Zoo kon hem niets, ach, niets vertroosten, of verkwikken: Onzalige!... en zijn moeder leeft!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nazomer · Prudens Duyse · Poetry Cove