II.
Gelijk aen 't stroomgedruis der golven,
Klonk hun in de ooren 't mettenlied:
‘Du, Heer, erbarms dij onzer niet:
Dijn gramschap heeft ons overdolven!’
Zoo psalmde 't eerste somber choor.
Het tweede zong, niet min ontzettend:
‘Dijn arm verhief zich, ons verplettend;
En, dijnen stoel niet meer besmettend,
Zonk Lucifer uit d'oppergloor!’
Ze aenhoorden 't, rilden, en verstomden,
Als voor een akeligen droom,
En op hen viel een kille schroom,
Terwijl de toonen immer bromden.
Daer nadert tot hun celle de abt,
En spreekt: ‘O vrienden des Alhoogen,
Wat heeft uw bede een groot vermogen,
Wanneer ze, aen 't aerdsche stof ontvlogen,
Op vuerge vlerken henenklapt!
‘Ach! woudt gij prediken voor de onzen!
Wie weet, wat zalving gij hun biedt.’
Ze weigren zulk een bede niet,
Onachtzaem op zijn wenkbrauwfronsen,
Vol somber leed. En als 't gebruis
Van langzaem neêrgezonken baren,
Was 't vreemd gezang voorbijgevaren,
En 't drietal treedt den monniksscharen
Stil tegen in 't kapittelhuis.