VI.
Dus moedig op!... Neen, laet u niet verbluffen
Door 't kwakerig, jaloersch pedantgewoel,
Opborlend uit het diepst van hunnen poel,
Aen 't formulier der tael geboeid, als nuffen;
Altijd aen 't ramlen van proprietas
Verborum (iets, dat langer niet te pas
En koomt); altijd van zuivren stijl aen 't suffen;
Op hunne kniên voor meester Bilderdijk,
(Dien dichtstijlist van hun bekrompen rijk)
Gelegen, en hem ‘afgods-wierook-dampen,’
Slaefs tegenzwaeiend; altijd aen het kampen
Voor 't eigenaerdig taelschoon, altijd snel
En scherp en stout napluizend, of er wel
Gezond verstand steekt in uw letterspel.
Licht zullen zij, van ‘hoogeschool-catheder,’
De schepping uwer goddelike veder
Banbliksemen met meesterlik gezag,
En u begroeten met den goedendag
Der schoolkritiek, die, nietig en vermeten,
Hen dagen lang slechts op éen woord doet zweeten.
Laet vrij begaen hun letterklieverij,
Hun pedantism, purism en dwinglandij;
Dat hunne pen met Despreaux herhale:
‘Eerbiedig immer de aengebeden tale,
Hoe los en stout uw veder drijve en draev'!’
Die Despreaux was ook der oudheid slaef.