III.
Vlucht dus vooral, wilt gij gelezen zijn, Geleerdheid: vlucht daervan den minsten schijn! Hoe meer gij weet, te minder zult gij gelden. Wie schrijft er hier tot nut van 't algemeen? Een lieve onwetendheid bekoort elkeen. De letterknapen dat zijn thands de helden In letterkunst; geen meesters gelden meer. Uw pen vermaek', maer zorg', dat zij niet leer': Dat is een kost voor 't volk te hard van teer. De juffertjens, de naeisters, de soubretjens, De vlaemsche tael- en letterkunst-lauretjens, Zie daer, mijn vriend, het volkjen recht habiel, 't Echt Mecenaet, met zekeren gazetjens, Van wat men heet ‘Literatuer faciel,’ Wat een klassieker dorst (o heiligschennis!) Vertalen in zijn scherpgeslepen stiel Door: Letterkunde zonder letterkennis. Foei, die pedant, klassieker zonder ziel,
Aertscriticus, wel waerd gesteld, o jemi! Naest Jan Nolet, den zanger van Noëmi, Die aen de tael nog hecht uit loutren gril, En Bilderdijk niet eens minachten wil. Voor u ontsluit zich de eindloosheid der kimmen, Waer, schittrend, eens uw letterzon aen blinkt, Die op uw woord, uw wenk, uw wet zal klimmen, Terwijl uw naem in al de monden klinkt Van knapen, wien de knevels nog niet wassen, - Van lieve bonne, en knappe keukenmeid, En puikmodiste vol bevalligheid; Daer ge als genie, wien boei, noch banden passen, In Belgie troont met kunstvorst-majesteit. Vooral, zoo ge in uwe ondoorwrochte schriften De vlam wat stookt der politieke driften, En dus aen 't volk meer werk dan winst bereidt.
Cookies on Poetry Cove