Skip to content
1859

Nazomer

Prudens Duyse

II.

Ziet gij dit Babel ginds ten starren klimmen? Hoort gij dit stadsrumoer, dat de eilandrust vervangt? Het woelt, als de Oceaen, wiens muil de storm doet grimmen. Hem wacht die stad!... ze ontwaekt, staet op, en vliegt, en prangt, Met sombre hoogtijdsvreugd, den balling in heure armen. Haer boezem golft: zij wil den held er aen verwarmen, Die in heur koortsdroom haer verscheen. ‘Napoleon, roept ze uit, uw schim koom' mij beschermen! Uw ballingschap heeft uit, en mijner zijt ge alleen.’

Gij keert dan statig weêr, gevoerd door fiere rossen, Als kwaemt gij Frankrijk weêr van 't slanggebroed verlossen, Dat wriemelt om den troon, en aen zijn pijlers knaegt. Gij keert dan statig, maer met de oogen toegesloten, Maer vader zonder kind, ellendigste aller grooten, Van d'armsten beedlaer ook beklaegd.

't Was treffend al dat volk te aenschouwen, Zijn stroomen wijd en zijd verbreidend; ja, zelfs vrouwen, Zelfs moeders, in haer feestgewaed, u toegesneld; En kind, en jongling, u bezingend als den Groote, En d'invalied, die 't zwaerd de jongste mael ontblootte Voor d'ingeslapen held!

't Was treffend, Gallië, die gantsch een bloemenbedde Spreidde op zijn baen, - vorstin, die hij, als vorstenweeûw, Na moordziek Kannibaelgeschreeuw, Uit de ijzren klauwen van regeeringloosheid redde. Ja, kniel voor hem, en dat uw hand den wierook biê: Hij was een dwingeland, maer was een groot genie.

Ik echter, - ik, op vlaemschen grond geboren, - Ik, die te Waterloo den afgerukten band Der slavernij herdenk met onverjaerbren toren, - Ik mag, ik moet de waerheid luid doen hooren: Hij was een groot genie, maer grooter dwingeland.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nazomer · Prudens Duyse · Poetry Cove