IV.
Geen nacht kan mijn geloof verzwelgen,
Geen storm ontankeren mijn hoop,
Geen dood mijn liefdevlam verdelgen,
Schoon hij mijn leemen hutte sloop';
Geen kluister kan mijn vaert beteugelen:
De erkentnis leent me vrije vleugelen,
En 'k stijg tot God, als Godes kind,
Aen stof en sterflikheid ontrezen:
De liefde moet onsterflik wezen,
Als zij den Eeuwige bemint.
O Vader in de vreugd en smarte,
Ik vond u niet met mijn verstand;
Ik vond u enkel met een harte,
Dat allen twijfel stout verbant.
Ja, in uw schoonheid, Ongeboren,
In uw bermhartigheid verloren,
Versmelt ik in gebed en lof,
En stappe, los van menschenketen,
Met uwer wet in mijn geweten,
En boven 't hoofd uw starrenhof.