Skip to content
1859

Nazomer

Prudens Duyse

II.

O, wat was ik eens rampzalig, Toen geen hart nog rustte op 't mijn; Toen 'k mijne ouders had verloren, En ik de avondster zag gloren, Zonder troostwoord in die pijn!

Nu eerst weet ik, wat zij wilde, Die verschriklike eenzaemheid, Die me, ook in 't gewoel verplette, En haer looden voeten zette Op mijn boezem nat beschreid.

Nu eerst weet ik, wat zij wilden, Al die zuchten mijner jeugd, Toen ik 's avonds 't veld doordwaelde: Tijd, die leed met lust betaelde, En wien 't mij zoo gaerne heugt.

Nu eerst straelt voor mij de toekomst Ook in mijn verleden door, En voert liefde en dank me, als vader, D'Oppervorst en Schepper nader, Die tot leenheer mij verkoor.

Nu eerst voel ik 's levens waerde En Gods eeuwig medelij, En keer telkens weêr vol blijheid Naer mijn woon, als burch der vrijheid, En altaer der poëzij.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nazomer · Prudens Duyse · Poetry Cove