II.
Zoon van een braven vorst, waerd aen de Batavieren,
Woelde in uw boezem iets, dat riep: ‘Koom, toon u groot!’
Gij liet tot zomerstorm de neevlen samengieren,
En waert de bliksem, die 't benauwend zwerk doorschoot.
Gij hebt de hydra der partijen overvademd
Met kalmen toren. Stil broeide in geheimnisnacht,
In balgedruis uw plan, waer Talleyrand in ademt:
Gij zette als leeuw niet door, wat gij als vos doordacht.
Louis-Napoleon, u vloek, noch zegeningen:
Ik wachte tot uw woord het woord eens keizers zij,
En tot ge in dank herdenkt der vorsten-bannelingen,
Wier vader u herdacht met vorstlik medelij.
Het mededoogen van een sterfling, hoog gezeten,
Is de echte keizersmacht, die niet verloren gaet;
Die op de zielen heerscht, al droeg zijn hand een keten;
Ja, 't is een scepter, waer ook 't nakroost onder staet.