IV.
Gelukkig, wien zijn les en moed en krachten schenkt!
Joinville zetelt hier, als rechter over de aerde, -
Hij, die, met meer dan vorstenwaerde
Omkranst, en Sion en Sebastopol herdenkt,
En zijn doorluchtig huis, gezweept door staetsorkanen,
Maer ook gelouterd door de tranen,
Waer God zijn kindren mede drenkt.
Hier voelt hij, in den schoot der vrijheid, -
Hier, bij dit licht, dat minzaem glimt,
Diep des Almachtigen nabijheid;
Hier klopt zijn borst ontroerd: een hooger dag ontkimt,
En 't is, of Godes woord der graven schoote ontklimt:
‘O sterkte, uw trots bezweek, als de eik voor storremwinden.
Eens wordt ge een Babylon, dat wegschuilt onder 't gras.
Laet de eeuwen de eeuwen vrij verslinden,
Wel hun, wie pracht, noch macht verblinden;
Wel hun, die mij alleen beminden:
Ik ben die 'k ben, en blijf die 'k was.’