Skip to content
1859

Nazomer

Prudens Duyse

II.

Wij bidden, diep in 't stof gebukt, En wenden van der vont de blikken Op u, die ons zoo kunt verkwikken, Zoo de afgestormde ziel verrukt; - Op u, die nog van heil en heiligheid doet droomen, Als duivels onder menschenschijn De ziel ons martelen met pijn, En jubelen, waer tranen stroomen.

De priester koomt, vol majesteit, Met gouden stool in blanke kleederen, En voelt zich mede 't oog verteederen, Op 't minlik kind gevest. Hij breidt Nu tot den Heer, ontroerd, verrukte handenpalmen: ‘Verzaekt gij aller boosheid, zoon?’ Hij spreekt, en 's Allerhoogsten woon Hoort plechtig 't jawoord wedergalmen.

't Lief kruintjen druipt van zuiver nat, Waer 's priesters handen 't meê besproeien, En hemeldauw schijnt neêr te vloeien Op onzen Godgeliefden schat. De kleene ligt daer, als een witte roos, bepeereld Met ochtenddroppelen; en zoet Ziet de engel neêr, die eens zijn voet Bewaekt bij 't wandlen door de weereld.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nazomer · Prudens Duyse · Poetry Cove