Skip to content
1859

Nazomer

Prudens Duyse

III.

Men hangt den held, reeds twintig jaer Bevrijd van aerdsche pijn, Den weidschen gravenmantel om, Waerop de gouden keting glom Ten tooi van 't hermelijn: Men siert met gravenhoed zijn hoofd, En geeft hem zwaerd en staf; En 't volk, dat wondren licht gelooft, Zegt hem ontsnapt aen 't graf.

Met dit eerwaerdig overschot Vertrekt de brave zoon, En reist van de een' naer de andre stad, Als met een onwaerdeerbren schat: De kist verkeert in troon. Hij stelt alom ter plechtige eer Zijn vader voor, en hiet, Dat men, als Henegouwens heer, Dien hulde in 't nieuw gebied.

En beiden stapt het magistraet Volstatig te gemoet; Het blanke stael in de eene hand, In de andre een fakkellicht geplant; 't Brengt beiden d'eigen groet, En kleen en groot, en man en vrouw, Bewijst hun vreugdbetoon, En zweert te samen liefde en trouw Aen vader en aen zoon.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nazomer · Prudens Duyse · Poetry Cove