II.
Niet verder, mensch!... Gij zult niet dolen,
Als de afgetobde pellegrim:
Gods liefde houdt zich nooit verscholen,
Al waek' geen star ook aen de kim.
Vóor hij u 't oog nog had ontsloten,
Had hij den strael reeds uitgeschoten,
Die eens uw ziel met licht vervult,
Ten dageraed en dag ontloken,
Wat logen u will' tegenspooken,
Met valschen flikkerglans omhuld.
Hij zou geen God zijn, geen algoede,
Geen vaderlike menschenvrind,
Zoo niet zijn hand dien mensch behoedde
Voor twijfelangst, die hem bemint.
Schoon onmacht de Almacht niet omvadem',
Uw borst, bezield met zijnen adem,
Gevoelt, hoe groot en goed hij is;
En, voor zijn scepter diepgebogen,
Kent ge in uw niet zelv' uw vermogen,
O mensch, des Eeuwgen beeldtenis!
Wat zijt ge? Een drop, op 't blad aen 't blinken;
Maer 't opperlicht doorglanst dien drop.
Geen kennis doe uw nacht verzinken,
Het kind lost u elk raedsel op.
Het bidt, de handekens te samen:
‘God! onze vader!’ en uw: ‘Amen!’
Bekroont de bede van het kind.
Stort gij voor hem op uwe kniën,
Wat zijt ge? Een riet vol melodiën,
Dat hymnen ook in 't onweêr vindt.