Skip to content
1859

Nazomer

Prudens Duyse

III.

'k Vergete nimmermeer dien stond, Die van zoo veel geluks liet droomen. ‘Laet, laet de kleenen tot mij komen!’ Die tael ontvloeide aen Jesus mond. Gij kwaemt tot hem, wiens woord en voorbeeld de aerd verlichtte, Die immer rein bleef van ons slijk: Keer mede rein in 's Vaders rijk, En dat er niets uw voet ontwrichte!

Vergeet hem nimmermeer, den stond, Die u aen 't christenouter wijdde, Met elker valsche leer in strijde, Op broedermin niet vast gegrond; - Aen 't christenouter, welk ons, diepgebukt, zag bidden: ‘Dat de aerde een vroege hemel zij, En (wie om 's Heeren dienste strij,) Des Christus geest woone in ons midden!’

Dàt is de doop, verheevner hand Dan die van menschen uitgevloten; - De doop, in 't Godswoord uitgegoten, Als vuer dat onze ziel ontbrandt, Om, als de Heiland, voor het rijk van licht en leven Te kampen tegen 't nachtgebroed, En eer den adem dan 't gemoed, Voor vrijheid aedmend, op te geven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.