Skip to content
1859

Nazomer

Prudens Duyse

IV.

De kerker houdt, als in den nacht Der katakomben, hen omvangen. Het lampje', aen 't zwart gewelf gehangen, Glanst op dat roerend schouwspel zacht. En Luciaen, met blanken baerde, Rust, de armen uitgestrekt ter aerde, Als Jesus, toen hij werd geslacht.

Men breekt het brood, de kelk gaet rond; En de achtbre grijzaert, stil gelegen, Ontgloeit, en zwemt in hemelzegen, En 't Godswoord breekt hem uit den mond: ‘Het Christendom berst uit den graven Van 't onderaerdsche Rome... Slaven, Gij ademt vrij ook op dees grond!

Vloei voor 't heelal, o zegebron Van 't Evangelie, woord van vrede! De weereld bidt een zelfde bede, Doortinteld van dier liefdezon. 't Was alles God, God uitgezonderd. De goden liggen neêrgedonderd, En 't kruis rijst op het Pantheon.

Ik ook, ik offer blij mijn bloed. Onzalig Rome, uw boei zal breken. Ras stort ik, om voor u te smeeken, Des Heilands dorenkroon te voet. Dooft voor heur stralen, vorstenkroonen! Ja, 't licht zal na het duister troonen.’ Hij zwijgt, en: ‘Amen!’ bidt de stoet.

Ze vierden 't heilig avondmael, Door d'eigen christengeest vereenigd, Die allen aerdschen kommer leenigt, En martlaers leidt ten zegeprael. Kalm viel de Godsheld, stukgereten. En, aen den broederdisch gezeten, Herdachten zij des zieners tael.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nazomer · Prudens Duyse · Poetry Cove