Skip to content
1859

Nazomer

Prudens Duyse

II.

En op den eigen stonde, Dat hij zijn lezing sloot, Ontvlamde op eens de hemel, Bij 't stervend avondrood; En langs het open venster Vloog 't blankste duifjen aen, Om boven aller hoofden Zijn wiekjens uit te slaen.

't Was lief, als de afgezante, Die 't vredetakjen bracht Aen Noë, opgesloten In de ark met zijn geslacht. Wat droeg in 't purpren bekjen Dat duifjen, jong en jent, Voor groen olijfgebladert? Een strookjen perkament.

Het laet dat nedervallen Ten disch der broedermin, En verre is 't spoedig henen, En zweeft den hemel in. De priester neemt het strookjen, En leest met zaelgen blik; Daer stond in gouden letteren: ‘Miin werc es hemelic.’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nazomer · Prudens Duyse · Poetry Cove