II.
Maer iets toch, iets toch trof me diep,
Hoe onverschillig voortgetreden, -
Iets, dat mijn ziele tot zich riep,
Als een der grootste wonderheden.
Want, zie, daer hingen op mijn baen
Uw looverhutten, Isrels zonen.
Ik zag ze, als feestbalkons, daer staen;
Ik zag ze uw wooningen bekroonen.
Ik zag die hutten zonder pracht,
Vlug opgebouwd uit stroo en looveren,
Bij 't onvergeetbaer voorgeslacht
In 't heilig Land terug u tooveren.
Dat sprak tot mijn ontroerd gevoel:
‘'t Is schoon: na zoo veel duizend jaren
Blijft Israël nog, in 't gewoel
Van Amsterdam, zijn tent bewaren.
Ja, de oude tente der woestijn
Is hier ook feestlik opgeslagen,
En heerscht, wat viel en wat verdwijn',
Fier over 't puin der oude dagen.
O Israël, wat zijt ge groot!
De heilge volkstael blijft u laven,
En zegepraelt op nood en dood,
Al ligge uw Sion diep begraven.’