Skip to content
1859

Nazomer

Prudens Duyse

II.

Maer iets toch, iets toch trof me diep, Hoe onverschillig voortgetreden, - Iets, dat mijn ziele tot zich riep, Als een der grootste wonderheden.

Want, zie, daer hingen op mijn baen Uw looverhutten, Isrels zonen. Ik zag ze, als feestbalkons, daer staen; Ik zag ze uw wooningen bekroonen.

Ik zag die hutten zonder pracht, Vlug opgebouwd uit stroo en looveren, Bij 't onvergeetbaer voorgeslacht In 't heilig Land terug u tooveren.

Dat sprak tot mijn ontroerd gevoel: ‘'t Is schoon: na zoo veel duizend jaren Blijft Israël nog, in 't gewoel Van Amsterdam, zijn tent bewaren.

Ja, de oude tente der woestijn Is hier ook feestlik opgeslagen, En heerscht, wat viel en wat verdwijn', Fier over 't puin der oude dagen.

O Israël, wat zijt ge groot! De heilge volkstael blijft u laven, En zegepraelt op nood en dood, Al ligge uw Sion diep begraven.’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nazomer · Prudens Duyse · Poetry Cove