II.
Dus mijmerde ik: de nacht, stilzwijgend neêrgeschoten
Op zwarte wiek, omving mijn ledekant.
Een lichtgeest raekte mij, met zijn fluweelen hand,
Het peinzend brein, en 't oog was mij gesloten,
En 'k was van dezer aerd niet meer,
De zielenweereld ingevlogen.
Ik dronk verrukking in, met onverzaedbren togen:
'k Beluisterde het starrenheir.
En 't zong voor 's Heeren troon, met neêrgeslagen oogen:
‘Aen God, aen God alleen zij de eer!
Hij is de vorst der koningrijken;
Hij is, die is in eeuwigheid.
O mensch, de starren en de volkeren bezwijken,
Maer ook het graf verkondt zijn liefde en majesteit.’
En 'k sidderde als een blad, dat winden fel bespringen.
En 'k voelde mij den polsslag koortsig slaen,
Als moest ik op de harp den lof des Heeren zingen,
En mijn onsterflik zielsbestaen.