III.
God voorziet in onzen nood,
Die het graen wil scheppen:
Allen geeft hij 't daegliksch brood,
Wie de handen reppen.
Viel mij, huiseliken bard,
Rang, noch roem ten deele,
Allen geeft hij 't eigen hart,
Hoe hun 't brein verscheele.
Van den ceder ten hysoop
Klimt zijn liefdeketen:
Allen biedt hij heul en hoop,
En, tot loon, 't geweten.
Wie als vrijman hem vereert,
Stijgt het stof te boven.
't Hart is innig godgeleerd:
Minnen is gelooven.
Wie zijn hart den Heere biedt,
Kent geen nacht of duister.
Wie hem in de schepping ziet,
Vliegt al in zijn luister.
Ongeroemd en onbenijd,
Wandel ik mijn wegen;
Maer ik leve stil verblijd:
Is er hooger zegen?
Needrig is mijn have en erf,
Maer ik ben mijn eigen,
En gij zult, wanneer ik sterf,
Naer me 't aenschijn neigen.
Vader, schut dan wie hier blijft,
Als ik vredig slape,
En vertroost wie rouw bedrijft,
Hoe de wonde ook gape!