VII.
Laet vrij begaen die ouwerwetsche mannen, Die Maerlants schriften, eeuwen lang verbannen, Thands vieren als een zonderlingen schat, Een kennisbron, ja, ik en weet niet wat: Wij hebben reeds genoeg omwentlingstormen! Droomt nooit van fijneren verbuigingsvormen, En wat dies meer in 't letterkraemtjen past, Als Dautzenberg, een overfijne gast, Die, altijd nieuwsgezind, met duitsche stoutheid Geen taelgezag erkent dan 't geen der oudheid; Een radikael, gevaerlik lettervriend, Die wat verliep, zoo 't tot der klaerheid dient, Ja, noodig is, maer stoutweg wil herstellen. Al neme ook Cats meestal die vormen waer, Wie zal dien man bij talekenners tellen, Ofschoon het volk nog dweept met zijner snaer? Verguis al die hervormende gezellen, Die denken dat de fijne vorm 't sieraed Der talen blijft, en dat wie dien versmaedt, Onwetend is; doem zulk een ketterzaed! Stel ook geen uitgang lik voor lijk ('t waer' zonde, Al vloei' dit lik uit elk beschaefden monde), Of vrees dat u de Faem den name schenk' Van ‘Likker,’ en, tien uren in de rondte,
Ja, verder licht, uwe eer voor eeuwig krenk'. [Zoo ik, helaes, hierin mij niet verbeter', Aenschouw me als een onzaligen bet-weter, Die 't kwade doe, en tot het goede wenk'.]
Schrijf, schrijf, schrijf voort, te hoog voor plak en pegel Gerezen, spijt hun lilleputsch gezag, Spijt hun logiek, dit middeleeuwsche rag; Spitsvondigheên, onwaerdig dat de zegel Van uw genie, daer ooit zij op geprent. Rijs fier, wie u zijn pijlen tegenzend'! Rijs maetloos hoog, ver boven die kattijven, Een' Goliath gelijk; wat letterguit, Zijn slingersteen u, schuiflend, toe wil drijven, Al ware hij een David!... Laet hem schrijven, En wrijven; neem een kort en goed besluit, En denk gerust: een veder is geen fluit; En zoo er een uw werk wat sterk belaster', Stop dien den mond bij 't woord: ‘Grammatikaster!’
Mijn jonge vriend, dat niets uw ijver blusch'! Welk letterrepubliek-stoel om moog' schokken, De gloriekrans siere u de blonde lokken, Als liefling van der Mode genius. Er zijn auteurs, bemind om hun gebreken. Laet vrij het ras, waervan ik ‘kwam’ te spreken, Als ge u vergreept aen oude regels, flus De spreuk ontgraven der aloude dagen, De spreuk van zekeren Horatius: ‘Werk niet om aen de menigt' te behagen!’ Zoude in het breed heelal wel éen Plantijn 't Nog eens met zulk een dwazen meester zijn?
Cookies on Poetry Cove