VIII.
De Hemel schutte uw dierbaer hoofd! Dat, de Albehoeder
Voor u elk nieuwe zon met nieuw genot bevrucht.
Gy hebt den laetsten lach van eene onschatbre Moeder
Gewis ontvangen; gy, heur laetsten liefdezucht.
Beminde, moogt ge lang myn eenzaem pad verzellen...
Vervang myn Moeder, gy, zoo ze iets vervangen kan!...
Wen reeds myn ouderdom ten levensperk zal snellen,
(Verwacht my zilvren hair!) verkwikk' me uw lach nog dan!
Vergeefs zoek ik alom die aengebeden trekken,
Die lachten by myn lust en leden by myn leed;
In uw gelaet alleen mag ik ze nog ontdekken,
Als gy me vriendelyk, gevoelvol, tegentreedt;
Of als ge, goed en gul, de hand den armen blinde
Meêlydend toereikt, en hem opwekt door een woord.
Dan waen ik telkens, dat ik Moeder wedervinde;
Dan leeft voor my haer ziel in de uwe, o Zuster, voort!