Bl. 8.
Vruchtrijke en stoute teelt, die bij den Belg ontstond:
Hij schiep zijn eigen taal, gelijk zijn eigen grond.
Elk zal hier aan het puntdich, Pitcairn of Huet toegeschreven, denken.Zie Fe i th's werken. Rott. 1824. IV. 185.
Tellurem fecêre Dii, sua litora Belgae:
Immensaeque potet molis uterque labor.
Dî vacuo sparsas glomerârunt aethere terras,
Nil ubi quod caeptis posset obesse suis.
At Belgis maria et terrae et natura Deorum
Obstitit; obstantes hi domuêre Deos.
Aldus verduitscht:
Het godendom schiep de aard', de Belg zijn blijden grond.
'T is eindlooze arbeid, dien hun scheppingen bewijzen.
Deed 't godendom de wijd verspreide aarde rijzen
In de ijdle lucht, waar niets zijn opzet wederstond,
Zee, aarde, neiging van de Goôn weerstond de Belgen:
'T weerstaande godendom bedwongen Neêrlands telgen.
Hoe schoon drukt Boxman dit uitIn zijn te Kortrijk bekroond dichtwerk het vermogen des yvers, bl. 3.:
Ja 't Eden rees omhoog waar eens de baren brandden,
De zeemeeuw nog vergeefs naar zandbank zocht of stranden,
De bruinvisch dartlend zwom, des visschers ranke boot
Voor 't dreigend zwerk beducht naar veil'ge haven vlood;
Het rees op 't zandig vlak van onafzienbre heiden,
Uit poelen, die alom hun pestend gift verspreidden;
De vreemdling ziet het aan en luidkeels roept zijn mond:
‘God schiep geheel deze aard, de Belg schiep Neêrlands grond.’