Bl. 4.
En Abtswoud en zijn naam voor de eeuwen heeft beveiligd.
Ik kan den lust niet wederstaan, om hier eenige fraaije coupletten Op Poot van Strick van LinschotenGedichten. Amst. 1808. bl. 145. af te schrijven:
Hoe aanminnig, hoe bevallig,
Hoe eenvoudig, hoe lieftallig,
Drukt hij op zijn boerenluit
Min- en landvermaaken uit!
Hoe genoeglijk was het leven,
Dat in malsche klaverdreeven
Mijn Abtswoudsche veldpoëet
Tusschen vette rundren sleet;
Dat hij, wijl de leeuwrik kweelde,
Met Apoll en Pales deelde,
Met de frissche Hengstenbron
En zijn room en boterton!
Honing droop van zijne lippen,
Geitjens hongen aan de klippen,
Vischjens schoolen in het riet
Bij den schieschen Theokriet.
Alles vloeide zacht en teder,
Alles lieflijk uit zijn veder;
Ieder klank, die hem ontviel,
Was een echo van zijn ziel.