Skip to content
1829

Lofdicht op de Nederlandsche tael

Prudens Duyse

Bl. 4.

En Abtswoud en zijn naam voor de eeuwen heeft beveiligd.

Ik kan den lust niet wederstaan, om hier eenige fraaije coupletten Op Poot van Strick van LinschotenGedichten. Amst. 1808. bl. 145. af te schrijven:

Hoe aanminnig, hoe bevallig, Hoe eenvoudig, hoe lieftallig, Drukt hij op zijn boerenluit Min- en landvermaaken uit!

Hoe genoeglijk was het leven, Dat in malsche klaverdreeven Mijn Abtswoudsche veldpoëet Tusschen vette rundren sleet;

Dat hij, wijl de leeuwrik kweelde, Met Apoll en Pales deelde, Met de frissche Hengstenbron En zijn room en boterton!

Honing droop van zijne lippen, Geitjens hongen aan de klippen, Vischjens schoolen in het riet Bij den schieschen Theokriet.

Alles vloeide zacht en teder, Alles lieflijk uit zijn veder; Ieder klank, die hem ontviel, Was een echo van zijn ziel.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Lofdicht op de Nederlandsche tael · Prudens Duyse · Poetry Cove