Voorberigt. In den jare 1827, schreef het koninklijk genootschap Concordia te Brussel, onder meer andere prijsvragen, ook eene uit, welke ten doel had, de dichtkunst in het zuidelijk gedeelte van ons Vaderland aantemoedigen, en de dichters uittenoodigen om hunne bekwaamheden te toonen, in het verwaardigen van een Lofdicht op de Nederlandsche taal. Om dit doel des te beter te kunnen bereiken, was het alleen aan Zuid-Nederlandsche dichters geoorloofd, naar den prijs te dingen, welke voor het stuk, dat het best en de krooning waardig zijn zoude, bepaald werd te zijn, eene gouden eerpenning of de waarde van 100 gulden. De Raad des Genootschaps heeft gemeend, bij het uitschrijven van deze prijsvraag alleen de aanmoediging van Belgische dichters in het oog te moeten houden, om dat in het noordelijk gedeelte van ons Vaderland, dergelijke aanmoediging niet ontbreekt, en men in die kunst daar reeds tot eene hoogte gekomen is, tot welke, over het algemeen, de vlugt onzer Zuidelijke dichters in het Nederduitsch nog niet is opgeklommen. Op de hier voren genoemde prijsvraag, kwamen bij den raad negen antwoorden in, welke allen derzelven bijzondere en eigene verdiensten bezaten. Er werd een Commissie uit het midden des Genootschaps benoemd, om zich met de beoordeeling dezer negen stukken te belasten. De Raad heeft vervolgens, voorgelicht door den arbeid der gezegde Commissie, dat stuk voor het beste gehouden, dat voorzien was met de zinspreuk: Pro honore et patria. - Ik neem de pen in hand, voor de eer en 't Vaderland, en oordeelde tevens, dat hetzelve de bekrooning waardig was. Het bleek bij de opening van het naambriefje, dat de dichter van dit stuk was, de heer Prudentius Van Duyse, te Dendermonde, werkend lid des genootschaps, welke reeds door verschillende genootschappen, wegens zijne dichtstukken, was bekroond geworden, en welke jonge en veelbelovende dichter, aanspraak maken mag op den roem, van reeds eenigermate het zijne te hebben bijgedragen, om de edele dichtkunst in Belgie te doen herleven. De bekrooning had plaats in de zaal des Genootschaps op den tweeden december 1827. - De Raad des Genootschaps heeft bij het uitgeven van dit bekroonde stuk, zoowel ten doel de opwekking van den lust onzer dichters, als de bevordering van de kennis aan dichtstukken, door Zuid-Nederlanders vervaardigd.
Brussel, februarij 1829. De President, Schuermans. De Secretaris, Pietersz.
Cookies on Poetry Cove