Skip to content
1859

Jakob van Artevelde

Prudens Duyse

VII.

O dierbaer plekjen gronds, geen ander lacht op aerde My zoo verlokkend aen. De stad, waer zy me baerde, Die my zoo teeder minde en nevens vader rust, En 't zoet geboortedak, en 's Denders kronkelingen, Verliet ik alles niet, hoe vol herinneringen, Voor uw gezegende eerekust?

Den perkamenten schat uws roems liet gy me ontrollen. Ik werd uw kind; ik voel myn belgisch hart vervollen Met gentschen trots, wat onverlaet u hoonen dorst, En als de oproerige der oude dagen doemen, - U, groot van brein en groot van borst, - U, die geen vorstenslaef uw meester wilde noemen, - U, (als weleer) de schrik en liefde van den vorst!

De Heer gaf aen myn kroost den naem van Gentenaren Tot edel volksblazoen, bekroond met lauwerblâren. De Heere zy gebenedyd! 't Gevoel van eigen waerde, o Gent, blyve u doorgloeien! Blyf vlaemsch! blyf vrank en vry, wat hand u wille boeien, Die vleiend u het felst bestrydt.

Uw Belfroot, fier omhoog geschoten, Die zuile des verdrags, door graef en volk gesloten, Waervan elk steen u geldt als een herinnering, Dat kan verzinken, hoe uw liefde daeraen hing': Gy kunt niet storten, niet verdwynen in de banden Van domheid en geweld, vereende dwingelanden, Dan als de naem van Arteveld' verging!

Wat mist ge, opdat een schaer van zielen Moog' vóór uw zetel nederknielen, O lichtbaek van Europe in middeleeuwschen nacht? Wat mist gy, wie elke eeuw met glorie bleef omglansen? Een vlaemsche lier, verheven als uw kransen, - Een veder, vry en groot gelyk ons voorgeslacht!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jakob van Artevelde · Prudens Duyse · Poetry Cove