Skip to content
1859

Jakob van Artevelde

Prudens Duyse

III.

Nog moogt gy, met vorstinneschreden, Fier naest uw zustren, Belgies steden, Voortstappen, Welbeminde, een gouden staf ter hand. Met welke kransen kunst en kennis haer omhangen, Schoon 't beeldbezielend vuer eens Rubens' op uw strand Niet glom, in de armen mocht ge ook menig kind ontfangen,

Dat gy, in moederliefde ontbrand, Kunt roemen als den steun en de eer van 't vaderland.

De grootste keizer, sedert Karlomagnus tyde, Naest hem, aen wien Parys een reuzenzuile wydde, Ontlook, by Vlaendrens lach, uit uw verrukten schoot. Maer hoe? wat zie ik, o benydbare en benyde! Vanwaer uw schaemterood? Wat bergt ge uw tranen, Karels moeder? Was u die Vlaming op den troon Niet tot beschutter, niet uw' kindren tot een broeder? Was hy, hoe groot een man, gering als dankbre zoon? Ween langer niet: zie rond! zyn beeld is neêrgevallen; 't Kasteel, gesmeten op uw bloedend moederhart, Verdween, maer in uw vrye wallen Ryst eens uw Artevelde omhoog, by 't hymneschallen Des volks, uw Artevelde tot een bard.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jakob van Artevelde · Prudens Duyse · Poetry Cove