II.
Ja, edel, eerbiedwaerd als in verleden dagen,
Blyft gy, o Vlaendrens sterke vrouw,
Te groot dan dat aen u geen laster laf zou knagen.
Toch dorst geen laster ooit of immer u verlagen
Tot moeder van een kroost, den rampe niet getrouw.
Getuig' 't de zieke, die een gasthuis op ziet ryzen,
Door burgerhand gesticht met vorstenmajesteit,
En op die haven Gods uit vroegere eeuw blyft wyzen,
Met tranen van erkentlikheid.
Getuige dit de vorst, wien Neêrland lang bleef roemen
En als een vader noemen,
Wiens arm aen moedertael, noch nyverheid ontbrak,
Tot Neêrlands vredetroon, met ysseliken smak,
Neerstortte. Bracht ge niet den gryze uw liefdebloemen,
Die u een vriendenhand, al stervend, tegenstak?