VII.
Neen, vriend! de kunst doet nooit den vlaamschen schoorsteen rooken. Solanum's eedle vrucht (min dichterlijk gesproken, De aardappel) voedt hier meest der Dichtren hollen buikNiemand zal de uit zuid-Amerika oorspronkelijke, en ons te laat bekend geworden, weldadige plant den bijnaam van edel onwaardig achten‘Er is genoegzaam geen woord gemeenzamer in gebruik bij Dichters dan edel, terwijl het dikwijls niet meer dan voor een stophoud te houden zij,’ zegt Bernardus de Bosch. Zie hem verder in zijne autocritiek, (waar van sommige plaatzen betoonen, dat hij tot de, in het eindeloos beschavende, school van Feitama behoorde,) te vinden in de werken der Maatschappij van Nederl. letterk te Leijden (1774.) Deel II, bl. 31., Strick van Lintschoten heeft te regt de aardappels een' heiligen Lierzang toegezongenGedichten. Amst., 1808, bl. 104. Alwaar mede de aanteekeningen over Solanum's vrucht te raadplegen zijn., die men echter, even als de pruiken, den tabak, den snuif, de drukkunst, de verbetering van het calendarium, de fransche akademie, de fransche en hollandsche taal, enz. gebanbliksemd heeft.. Al 't hoefbronnat verschaft geen halve farokruik. De beste spraakleer geeft slechts lettergrepen te eten.
Vaart echter manlijk voort, gelukkige Poëten! Wordt arm, opdat door u 's Lands kunstschat zich verrijk! Werkt, slaaft, opdat uw naam in Almanakken prijk! Of voelt gij u door zucht tot hoogren roem gedreven, Sterft! - één dag zal uw roem in 't Gendsche Dagblad leven.
Opdat niet ieder, door zulk blij verschiet bekoord! Zich aan het rijmen stel, zeg ik (men zeg het voort!): Van lauwers eet gij niet: ziet ge immers langs de straten, Een man van elk geschuwd, van God en mensch verlaten, Die zonder schoenen schier, en met versleten kleed, Dat zwart moet zijn geweest, blootshoofds, daar henen treedt, In zijn verbijsterd oog is 't duidelijk te lezen; Hij is een Dichter, of - hij wil een Dichter wezen ..... La grace à Dieu, Phoebus et son troupeau, Nous n'eusmes sur le dos jamais un bon manteau. Aussi lorsque l'on voit un homme par la rue, Dont le rabat est sale, et la chausse rompue, Ses gregues aux genoux, au coude son pourpoint, Qui soit de pauvre mine, et qui soit mal en point, Sans demander son nom, on le peut recognoistre; Car si ce n'est un Poete, au moins il le veut estre.
Deze verzen zijn van Mathurin Regnier (2e satyre), dien Boileau, in zijn Art. Poét., Ch. II, v. 173De twee verzen:
Heureux! si ses discours craints du chaste lecteur, Ne se sentoient des lieux, que fréquentoit l'auteur.
werden door den vermaarden godgeleerde Arnault aan Boileau, ter vervanging van mingeschikte, aan de hand gegeven; zoo de St. Marc ons mededeelt., en in zijne Ve Réflexion sur Longin, benevens De la Harpe, wegens hekeldichterlijk talent te regt hoogschatten: heureux! si.......
Het groeijend aantal van die laatste soort is groot: 't Schiet op in éénen nacht, als giftig duivelsbrood.
Cookies on Poetry Cove