II.
Verbeeld u dan, ge aanschouwt west-Vlaandren's blijde streken. Zie dáár een lagchend dorp! elk is zijn deur ontweken; En 't juublend volk woelt rond, bij domlend klokgebrom; 't Verroest geweer brandt af, en romlend rolt de trom. 't Kan geen processie zijn: 'k zie Turken ginds bij scharen. Zou 't beulingkermis zijn? 'k zie ginds een troep hussaren; 'k Herken de jeugd van 't dorp, fier op dien vreemden tooi, En blinde Krelis roept: ‘dat is geweldig mooiDit vers komt in de beschrijving eener boerekermisDit lagchend onderwerp heeft onze Dichterlijke Teniers verscheiden maal tot eene uitgewerkte behandeling uitgelokt. - Zie het werkje: Oud hollandsche Parnas of Kermisdichttafreelen van L. Rotgans, J. Bartelink, F. Greenwood en J. Van Hoven. Amst., 1823, bij Van Kesteren. door Bilderdijk in het stukje: De Waarheid en Ezopus voor.
Ge boeren keken als verstomd Op al dien vreemden tooi, En blinde Krelis zei: “.......! Dat is gewelding mooiMengelpoëzij, D. II, bl. 69.. .’
Neen, 't is een Kunststrijd, dien de Rederijkers vieren: Daar stapt de Gilde op marsch, bij golvende banieren; Op 't uitgewischt blazoen, van grootvaars tijde grijs, Hangt menig borstsieraad, geschikt tot eereprijsBorstsieraad, is he geliefkoosd woord, dat in de prijskaart onzer Rhetorijken het woord Medaille vervangt.. Zoo veel vermag de kunst op mijne Landgenooten, Dat ieder bij het feest zijn buskruid heeft verschoten. Men joelt, en woelt er voort, en kruipt er in een tent. Nu treedt een kamper voor: hij is een knappe vent, Held Mythomanus, in zijn bonte zondagskleeren, Die waant, dat elk zijn Goôn, als zijn persoon moet eeren. Elkeen bedreigt hij met een langgerekten zang, Gesteld op schoon papier, juist, volgens voorschrift, lang, Wel tweemaal dertig en vijf centimeters, even Als moest daarop de lijst der rijmlaars zijn geschrevenVele derzelve bepalen op welk papier het mededingend Dichtwerk moet gesteld worden. Zoo schreef het Artikel 3 der prijskaart door de Maatschappij van Rhetorica te Meenen, tegen den 21 October 1827, uitgezonden voor: dat elk gedicht op een vel papier van 65 centimeters hoogte, en 40 breedte moest geschreven zijn. - Wie, door eene dichterlijke verstooidheid, zijn papier te kort of te breed neemt, kan, al ware hij een Willems, op het borstsieraad geen aanspraak maken. (Neen, ik bedrieg mij; geen Missaal die hen besluit!) Hij knikt, en strekt, als tot het zwemmen, de armen uit: ‘Iö! Minerva's teelt, Apollo's lievelingen, Wilt Poean! Febuskroost, en Pallas kindren zingen! Span, Zangster, 't speeltuig van Arion, of Orfeus, Of Calliope; en moog de dochter van Peenneus, Trots Midas, en Zoil, en Styx, uw schedel sieren. Kom: Flora, Themis reikt u bloemen en laurieren, Suippijn kan met zijn vuur nooit Dafne's loover slaan. 't Prijkt boven Plutus kist, en Mavors zegeblaân, En tart Saturn, als 't werk door Mulciber geklonken, Wien Venus werd tot gâ ter kwader uur geschonken.’ Dus luidt het godlijk stuk, drie honderd verzen lang; En hemel, aarde, en hel, 't kruipt alles in dien zang. 't Is trek voor trek berijmd naar Gildebroêrs methode, Sinds twee, drie eeuwen naar de nieuwste Dichtkunst-modeZie de 2e aanteekening van den Ien Zang. Op het gebruik van het woord mode, dat wij even als compliment, gebruikt hebben, teekenen wij met BilderdijkMengelpoëzij, D. II, bl. 8. in de aanteek. aan:
-- Si quae externa referuntur nomina lingua, Hoc operis, non vatis erit. Non omnia verti Possunt, et propriâ melius sub voce notantur.
O die arme nederduitsche taal! waarin men slechts gebrekkig de heerlijke woorden mode, compliment, toilette, estaminet, enz. kan uitdrukken. Wat kan men tot hare verdediging bijbrengen, buiten de nietsafdoende rede, dat men vergeefs in de taal der Nederlanders zoekt, wat met hun karakter niet strookt? En echter zijn er Dichters dwaas genoeg, om zulks aan die taal tot geene klad aan te wrijven: Loots, b.v. zingtLiersang aan de Taal.:
Ach! dat men in geen taal kost spellen Het tuig, dat donders aan doet snellen, Noch rang der dienaars van den dood! Ach! dat men nog geen woord kon reppen, Van 't geen de weelde al wist te scheppen! Ware elke taal hier arm en bloot! . Nogtans staat menigen het rijmpje meest dan aan, Wanneer zij 't minste van die mosaik verstaan. 't Streelt menig', min in dicht- dan cijferkunst bedreven; Hij weet niet wat hij doet: God wil het hem vergeven! Wat voert de mode zulk een slofgeraas niet heen, Daar wel de grootsche pruik op haren wenk verdween!
St!... 't is Poëten taal, dat is: de taal der Goden, Ben sterveling te hoog, zijn laag begrip ontvloden. Wat Criticaster raakt die schrikbre verzen aan, Waarin hij al de Goôn ziet in geleedren staan, Tot 's mans bescherming? Waag geen hand er aan te steken; 't Is kruidje roer mij niet! - ‘'t Groeit veel in Pindus streken.’
Zie andre kampers nu, wel dertig, veertig sterk; Elk waagt zich op zijn beurt in't zweetvol letterperk; Een enkle kunstbarbaar doet zich nog fraaijer hooren: Met Cammaert schijnt hij mij op éénen kam geschorenZie over Cammaert de 11e aanteekening van den 11den zang.. 't Is zoo afschuwlijk schoon, dat, (onder ons gezegd,) Door mensche- of englentong dit nooit wordt uitgelegd.
Cookies on Poetry Cove