Skip to content
1830

De wanorde en omwenteling op den Vlaemschen zangberg

Prudens Duyse

V.

Is 't mooglijk, dat de Kunst verlaagd blijve in ons Land? Dat hier het Onregt pronk, de weegschaal in de hand? Zag men somtijds een dorpje een' grooten geest bekroonen, Men zag ook soms een stadje een' grooten dief beloonen, Een grooten letterdief; den man, zoo dom als stout, Sloeg 't Kunstgenootschap vaak, van top tot teen, in 't goud; Al zag men ook 't Programme in groote letters dragen: ‘Men zal den kunstdief uit het kunstperk schandlijk jagen.’ Als was 't een dief, die bij den snuggeren Spartaan, Om lompe onhandigheid, een straf had onderstaan; Al stal hij uit een werk, dat elk bekend moet wezen; Dat elk, die smaak bezit, bij 't lezen en herlezen, In zijn geheugen prent; en geenszins van dat slag, Waarvan men d' armen dief opregt beklagen magHet XXe puntdicht van Lebrun, den mededinger van J.B. Rousseau in het vak van lierzangen en puntdichten, luidt aldus:

On vient de me voler. -- Que je plains ton malheur! -- Tous mes vers manuscrits. -- Que je plains le voleur. . Al was 't de domste sinds Bathil op aard' gevondenTen tijde der feesten, die Augustus aan het volk gaf, en die door het onstuimige weder schenen belette zullen worden, hechte men een distichum aan zijn paleis, waarvan de zin was: ‘Het heeft gansch den nacht geregend; 's morgens keeren de spelen weder. Jupiter en Augustus heerschen beurtelings.’ De Keizer wilde den behendigen vleijer kennen. Bathil maakte zich de stilzwijgendheid van Virgilius ten nutte, en werd beloond: de Dichter, om den letterdief te beschamen, stelde terzelfde plaats het beschuldigend vers:

De verzjes maakte ik-zelf; een ander werd beloond.

Hij voegde er het viermaal herbaalde begin van het volgende vers bij:

Aan andren niet aan u.

Bathil werd uitgenoodigd, om den zin te voltrekken, en kon er niet in slagen. Toen deed de Mantuaner zich kennen, en voltrok de verzen aldus:

Aan andren niet aan u dient, vogels, das uw woning. Aan andren niet aan u dient, schapen, dus uw kleed. Aan andren niet aan u dient, bijen, dus uw honing. Aan andren niet aan u dient, ossen, dus uw zweet.

Bathil werd Rome ten spot., Zoo er geen dommer, die men regters noemt, bestonden. - ‘Dat kan niet wezen!’ - Vriend! het is waarachtig waar! Bevoegde regters heeft daarover Roussel...!Blijkens een' brief gesteld in den Journal de Gand van 4 Augustus 1827, bekroonde het Rhetorijk van Rousselaer, den Voorzitter van het Rhetorijk van Meenen, M.H. de Muijnck, over het dichtwerk: Nero's gruwelen.

De schrijver van dien brief haalt zestien verzen aan, waarin die gelauwerde Poëet uitmunt,

En geeft van kunde in 't na te schrijven de eêlste blijk!Zie hier voren, bl. 7, v. 2 want men kan dezelve bijna letterlijk in het dichstuk: De verlichting, door H.H. Klijn vinden, op de 16e en 18e bl. van den Ien zangIn de werken der Bataafsche Maatschapij van Taal- en Dichtkunde..

Men kan niet alle dichtwerken kennen, en echter een bevoegd Kunstregter zijn: maar als men een prulwerk, waarin wel

Purpureus late qui splendeat unus et alter Assuitur pannusHor. de Arte, v. 15.,

maar waarin men tevens de gestolen brokken niet eens met het overige pseudo-pindarisch gezwets heeft kunnen zamennaaijen,

- ut nec pes, nec caput uni Reddatur formoeIb. v. 8.,

Dan zeker kan men op den naam van Kunstregter geene aanspraak maken.

En dit was hier het geval met het prijsvers, dat voor zinspreuk door arbeid en ijverLees: door een andermans arbied en door ijver tot stelen. had; en dat het eindloos verre voor hetgene: uit kunstmin moest ondergevenZie de Verzameling der voornaamste Dichtwerken op de Vreedheid van Nero, ten prijskamp voorgesteld door de Maatschappij van Reden- Dicht- en Tooneelkunst, binnen Rousselaere, op 8 Junij 1837. Rousselaere.

De Gruwelen van Nero! wat onderwerp! en dit schrijft eene Maatschappij van Redenkunst in de IXe eeuw uit! het pruldicht, bl. 21 voorkomende, had zij nooit moeten uitgeven, al bewijst hetzelve, dat de poëtaster Suetonius gelezen heeft. Dan wij gaan hetzelve liefst stilzwijgend voorbij: wij zouden te veel om onze Landgenooten te blozen hebben! -- waarom alles in die Letterkundige kampen zoo naauw, zoo slaafsch bepaald; het papier, de maat en het getal der verzen, enz.? waarom geen historiekundige Romance, geen volkslied, geen boekje voor het onderwijs ter behandeling voorgesteld? waarom geene vertaling in fransche verzen uit onze verdienstelijkste Dichters gevraagd, om aldus onze Poëzij zelfs door middel der mededingster, die haar thans verdringt, bekend te maken? waarom geene poging tot opbeuring der Vaderlandsche Tooneelpoëzij gedaan? waarom.... dan genoeg! Ik zou zoo ligt niet ophouden van vragen, en zoo ligt geene antwoord bekomen. Vox clamans in deserto..

Hier mede stappen wij van Vlaanderen's letterkundigen Cartouche afHet komt mij voor, dat de volgende aanmerking op Nero voor eene toepassing vatbaar is:

‘Il fit le voyage de la Grèce pour entrer en lice aux jeux olympiques; quelques efforts qu'il fit, il n'obtint le prix que par faveur.’ [Feller, Dict. hist., T. VI, p. 518. Ed. de Paris, 1818.]

Nero nam het besluit, om elk tot den dood te... vervelen. De medoogenlooze Keizer schreef al den meesteren der openbare scholen voor, om zijne verzen aan de leerlingen te dicteren; gelijk de oude Scholiast op Pers. Sat. I. 29 aanteekent, daar de Hekeldichter zegt:

At pulchrum est digito monstrari et dicier: hic est! Ten' cirratorum centum dictata fuisse Pro nihilo pendas? Maer 't is zoo moy, zig met den vinger te zien wyzen, Dat ieder zeit: hy is 't, en dat men zig hoort pryzen; Voorts dat men in de school de jongens, voor hun taek Uw vaerzen leeren doet; is dat geen groote zaek? Vertaling van E. Elmeguidi. ..

Schiet, kunstbeschaving, rond uw langbedekte stralen! Dan moog hier 't heilig regt, bij kunst en ijver, pralen; Dan vraagt een Maatschappij, door u nooit voorgelicht, Op d' Invloed des tooneels voortaan geen heldendichtHet Rhetorijk van Deinze schreef, tegen 15 Julij 1827, tot prijsvraag uit: Het heil en onheil der tooneeluitoefening, in een heldendicht, van..... 80 tot 120 verzen.

Dit gevergde heldendicht moest gelukkiglijk van geen' langen adem zijn, zoo men ziet! en kan tot een' tegenhanger dienen van het heldendicht: de klassiade door Barbaz, dat wij hier in zijn geheel willen..... mededeelen.

I. Zang.Ik zing den grooten Klaas, ten hoogsten stand verheven. II.Help, Zanggodinnendom! ai, wil mij lauwren geven! III.Mijn held wordt jongeling, zijn baard schiet stoppels uit. IV.Hij leert, als tweede Eöol hard blazen op de fluit. V.Hij durft met trotschen moed op steile ladders klimmen. VI.Hij hoort in 's afgronds nacht trompetgeschal van schimmen. VII.Hij kiest een dierbre gâ, en gaat er meê te bed. VIII.Hij worstelt met fortuin, en stelt haar fier de wet. IX.Gelijk een pijl den boog, laat hij den rampspoed achter. X.Dan stijgt hij hemelwaart, want Klaas wordt torenwachter. .

Mijn Noorderbroeder, 'k heb u antwoord nu gegeven; Nu weet gij, hoe men hier tot schrijven wordt gedreven, En wat of Kraspen in zijn wanbegrippen stijft, Zoo dat hij, tegen wind en weder, schrijft en wrijft.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.