VII.
Ik weet het: Vlaandren zwaait meest hem den wierook toe, Die 't Vaderland bezong, gezweept door 's Gaulers roê. Ik ken er menigeen, die stout hem na wil apen: Hij staat met Helmers op, en gaat met Helmers slapen. Maar menig heeft zich in dien lossen keus vergist, Die Helmers leemten heeft, en Helmers schoonheên mist. Voor hem, dien de eedle Bard, gelijk een Meester huldigt, Aan wien hij zijne kunst, zijn luister was verschuldigd; Voor hem, die schittrend, als der Dichtkunst morgenster Zich ophief, - Barneveld bezong en Lucifer, Kniel ik ter neêr; ik kniel voor de aangebeden Schimmen, Die 't Dichtkunstlicht, zoo lang bedekt, hier deden klimmen.
'k Stel tot bewondring hen, niet tot modellen, voor, Als grooter Dichter glanst in nooitgetaanden gloor. Soms moge Vondel fraai, verheven, roerend zingen, Wat poogt men langer hem tot afgod op te dringen, Die wel op stoute wiek bijwijlen zich verheft, En met een tooverslag den boezem streelt en treft, Doch wansmaak, valsch vernuft aan teêr- en stoutheid paarde. Die (ligt na dat hij pas verwondring, geestdrift baarde,) Vaak lach- of slaaplust wekt door klinkklank of gebromWij kennen de schoone verzen van Helmers op zijn' meester Vondel van buiten; wij weten, dat Brandt, in zijn Leven van Vondel schrijft: ‘Men mag hem, vrij den Vader der allerzuiverste en volkomenste poëezij noemen; van wiens lof gewaagt, al wat nederduitsch spreekt of verstaat en de poëzij bemint. - Wien men wel in staat is te berispen, doch op geen duizendste gedeelte in zoetvloeijendheid, hoogdravendheid, zuiverheid van stijl en aardigheid van zin te evennaren.’ Wij weten, dat Jeronimo de Bosch, eene LofredeZie Algem. Magazijn, D. I, en Werken van Teyler's tweede genootsch.; en Siegenbeek, een LofverhandelingWerken der Bataafsche Maatschappij van T. en Dk. D. II, bl. 37. opj Vondel geschreven hebben.
Wij weten, dat er op den Lucifer-alleen twee lofwerken bestaanIets over de karakters der hoofdpersonen in den Lucifer van Vondel, door Warnsinck, Vad. Letteroef. voor 1825. Mengelw., bl. 550; - en Macquet's eenigzins uitvoerige critische beschouwing over dit tooneelstuk in de Proeven van Dichtk. Letteroefeningen, D. III, bl. 41..
Wij weten, dat Ploos van Amstel Vondel afgodisch boven al de oude Dichters in onderscheidene vakken steltIn eene Redevoering te vinden in de Letteroef. van het Kunstgen.: Diligentioe omnia, bl. 14..
Maar wij weten ook, dat de tijd van het jurare in verba magistri over is. Vondel-zelf verwierp, bij gevorderde kunstoefening, zijne eerste wanstallige voortbrengzels. Dat ook zijne latere blijken van den wansmaak, die zijnen tijdgenooten zoo gemeen was, dragen, zal niemand in twijfel trekken, die hem wat meer dan uit Lofredevoeringen van letterkundige échos, of uit Bloemlezingen kent. Dat zelfs hetgene in Vondel afzonderlijk beschouwd, schoon is; als deel van een geheel beschouwd, wanschikkelijk is, (zijne reijen, b.v.,) mag men uit Feith's en Kantelaar's critiek opmakenBijdragen ter bevordering van Schoone Kunsten en Wetenschappen, I st., bl. 46 en volg..
W. Geysbeek heeft een half boekdeel aan de beoordeeling van Vondel gewijd: wij zullen hier eenige regels van dezelve overschrijven:
‘Dat Vondel de karakters zijner personaadjen meesterlijk geschilderd, en hunne onderscheidene hartstogten krachtig in werking gebragt heeft in den Lucifer, zal niemand betwistenBeroepen Woordenboek, D. VI, bl. 144..
Palamedes, die hij twaalf of dertien jaren vroeger opstelde dan den Gysbrecht van AmstelZie Kotzebue's oordeel over Vordel, en voornamelijk over dit treurspel, in den Almanach voor Blijgeestigen. Brussel, 1827, bl. 77., heeft veel meer wezenlijke schoonheden en veel minder gebreken dan het jongere treurspel, of zijne andere tooneelpoëzij, die meer ontsierd zijn door smaakloos gekunstelden opschik, vergezocht valsch vernuft, en ongelijken, gezwollen of platgemeenen stijlBer. Woordenb., D. VI, 196 en 240. Zie mede zijn apollineum over het valsch vernuft in de Poëzij en Welsprekendheid, D. I, bl. 47..
Vondel's hekeldichten verdienen dien naam niet: zij zijn slechts paskwillen; waarvan eenige, zoo als dat tegen den braven CatsZie Vondel's Dichtwerken, D. XI, bl. 215., de verontwaardiging opwekken’W. Geysbeek, bl. 505, (dien men over onze hekeldichters kan raadplegen; alsmede onder het Art. De Lannoy, Higt, Hoffham, Pluimers en Zeeus (Jacob). Zie mede in zijn Apollineum, D. II. bl. 75.
Over het Stroomgedicht, dat even als het Hofgedicht, een bijzonder genre der Nederlandsche Dichters schijnt te zijn, zie men hetzelfde werk D. V, bl 304..
Te regt zegt dezelfde Schrijver: ‘Als wij van Anna Bijns te rug zien op Melis Stoke en Maerlant, hoe ver is zij dan niet alreeds boven dezen gevorderd! hoe laag zinkt zij nogtans weder weg bij Vondel en zijne tijdgenooten! en wat zijn deze bij onzen eenigen Bilderdijk! het oneindig voortstreven van den menschlijken geest schijnt, ten minste hier, geen' schoonen droom te zijn’Ib. D. I, bl. 455... Te lager stort hij neêr, valt hij, die schittrend klom.
Triumf! de dorgeschaafde en doodgelikte zangen Der Feitamasche School zijn door de taal vervangen Der geestdrift, des gevoels (van 't juk der vitterij Na worstlen losgerukt), - door ware Poezij. Thans rijst der Muze, eens in het keurslijf stijf geregen, Het rieten stafje van Pedanten niet meer tegen. Fier, vrij, als 's menschen geest, steeg ze op in zwiergen dos, En 't hartontvlammend vuur spatte in heur zangen los.
Cookies on Poetry Cove