Skip to content
1830

De wanorde en omwenteling op den Vlaemschen zangberg

Prudens Duyse

Vierde zang. I.

Genoeg heb ik gezegd, voor korte menschenooren. Toch doet de blijde hoop een' zachten lichtstraal gloren, En schoon ge op Schelde en Lei verongelukten ziet, Niet elke plank verzonk, die hulp en redding biedt.

Neen, op nieuwjaarsdag nog, wen elk ons vurig zegent, En 't rijmpjes van elk slag, om ons te plagen, regent, Schenkt Belgies Muzenkoor een frischontloken bloem, Die, spijt de vlagen, bloeit tot Vlaandren's letterroem. Wie prijst niet Willems, die de moedertaal verdedigt, Als haar de vreemdling, ja, de Gallo-Belg beledigt; Die haar, met d'ijver van Stevyn, beoefent, eertSimon Stevyn, geboren te Brugge omtrent het midden der XVe eeuw, de vriend en onderwijzer in de wiskunde van Maurits, de uitvinder der tientallige breuken, en een warm voorstaander zijner moedertaal. In zijne redevoering: Uytspraek van de weerdicgheyt der Duitsche tael, beweert en toont hij aan, dat er geene taal zoo rijk in koppelwoorden en éénlettergrepige woorden is dan de vlaamsche.

In den Dichtkundel der Koninklijke letterkundige Maatschappij van Brugge voor 1821, treft men, boven eene Redevoering op den Nederlandschen Archimedes van M.F.T. Verhaeghe, het bekroonde Lofdicht op Stevyn, van M. Van Someren aan.

Men raadplege verder Justini-Cornelii Voorduin, laudatio Simonis Stevini, te vinden in de Annales Universitatis Gandavensis, 1821 - 22.; En haar bevochten roem en Dichtkunstschat vermeertM. Willems, van Antwerpen, Lid van het Instituut, een onzer Letterkundigen, die zich het eerst de zaak onzer Moedertaal, door de uitgave van zijn Dichtstuk: aan de Belgen, aangetrokken heeft. Nog onlangs heeft hij dezelve tegen nieuwe vijandlijke aanvallen verdedigd.? Maar zijn er andren nog, die, met onwrikbre schreden, In Neêrlands Bardenkoor ligt eenmaal zullen treden; - Ontdekt men hier en dáár één enklen rozenknop, De vruchtbre distel heft, met talloos tal, den kop. Van Rysingen (wien ik een stille traan blijf schenken, Wien ons verstand en hart, met dankbren rouw, herdenken, Die geestverdrukking fier en wansmaak stout bestreed,) Stierf jong, tot Rimax vreugd, en Dichtkunstlief tot leedMarcellus van Rysingen stierf te Lokeren in 1827, oud 37 jaerenZie verder mijne Necrologie over dezen Dichter in de Revue esplicative des beautés de la langue Neêrlandaise van Snatich. Août 1827, p. 77.. Zijn hekeldicht Het stadsgewoel, dat veelal Gend bedoelt, is een zijner beste stukken.

Zie hier een' brok uit hetzelve, dat men wil op den Parnassusberg binnen die stad te slagen. (Zie de 9e aanteek. van den IIIen zang.)

Ik blijf eensklaps verbaasd nu voor een herberg staan: Men leest op 't uithangbord: den Helicon. Wat wonder! Van boven zit geen mensch, het zit daar al van onder; Zou toch der Dichtren God, uit order van Jupijn, Met heel het Muzenkoor door 't dak gedonderd zijn! Of is hij weggevlugt, daar eenge martelaren Het speeltuig van de kunst zoo schandelijk ontsnaren? Kom, kom! ik wil gaan zien, hoe daar de zaken staan; Alwaar men drank verkoopt, mag ieder binnengaan. Daar heeft er dan een 't regt zijn verzen voor te kwakken. Men hoort op ieder rijm de handen zamenklakken, En wijl er menigeen zijn trage beurt betracht, Schenkt hun de knaap van 't gild en vuur en denkingskracht. Hoe kan een schittrend koor, beroemd in letterhelden, Wier namen 't nageslacht met eerbied zal vermelden, Gedoogen, dat de kunst zoo laag ter neder stort, Of Phebus tempelzaal zoo vaak ontheiligd wordt. . 'k Zal Haar, die 't blinkend spoor van Moens betreedt niet noemen, Dat IJpren haar bekroon, Dixmuide moog haar roemen;

Men leest heur naam niet in mijn kunstelooze blaân. Wel! doe zij-zelve dien in 's Lands gedenkboek staanBij nadere bedenking, heb ik mij gedrongen gevoeld, om de volgende aanteekening uit den Brusselschen ArgusD. III, bl. 259. over te schrijven; dat mij des te aangenamer is, om dat ik hierdoor het edele karakter van M.D. de Simpel eene welverdiende hulde toebreng:

‘De Belgische vrouwen hebben zich tot dus verre in 't geheel niet bezig gehouden met de beoefening der Nationale Letterkunde, het zij dat uitvooroordeel voortsproot, het zij uit onverschilligheid. Genoeg is het, dat er beterschap op handen is, en meisjes en vrouwen steeds meer en meer behagen scheppen in het Nederlandsch.

Uit IJperen vernemen wij, dat de aldaar gevestigde Maatschappij van Taal- en Dichtkunde, op den 16 Augustus 1828, eene vlaamsche Sapho heeft bekroond.Zoo werd Catharina Questiers door Vondel, die, als Homerus, wel eens sliep, ja, die er zelfs bij droomde, mede als een tweede Sapho geprezen; met wier weinige, tot ons gekomene, fragmentarische verzen hare, weinig beduidende en met mythologie opgepropte, gedichten, voor mij, die geen Vondel ben, geene de minste overeenkomst hebben; en bij wie men eigenlijk geene onzer Vaderlandsche Dichteressen ooit moest gelijken. Zie W. Geysbeek, ber. Woordenboek, D.V, bl. 143, en Vondel's Poëzij, D. II, bl. 362.

Nog zonderlinger heeft men een klopje van Antwerpen, Anna Byns, die tusschen 1520 - 40 bloeide, en tegen Luther refereijnen schreef, de Brabandsche Sapho bijgenaamd.. Mejufv. Maria Doolaeghe van Dixmude behaalde er den eerprijs met een Dichtstuk, waarvan het onderwerp bestond in: den opkomst, groei en bloei der Dichtkunst in Nederland. Volgens 's Lands gebruik (of liever misbruik) had zij persoonlijk in den wedstrijd moeten verschijnen. Dit schijnt zij uit bescheidenheid te hebben gelaten; hetwelk echter veroorzaakt heeft, dat men haar niet anders dan een accessit kon toewijzen. De heer De Simpel, van Staden, heeft vervolgens de eer gehad, om de bekomene medaille aan Mej. Doolaeghe over te brengen.’

Hier zij nog bijgevoegd, dat de Koninklijke Rhetorijken van Antwerpen en Gend zich verhaast hebben, onze veelbelovende Dichteres den titel van eerelid aan te bieden. Zulk een eerelid maakt eene uitzondering aan de algemeene onbeduidendheid der eereleden.

De dubbeledele Dichteres, jonkvrouw barones De Lannoy, heeft een aardig hekeldichtDichtwerken, bl. 21. geschreven, in hetwelke zij, op eene boertige wijze, het vooroordeel, dat vrouwen niet bekwaam, of bevoegd, zijn zouden tot het beoefenen der geleerdheid en fraaije letteren, geestig wederlegt..

II.

Voor 't Land, waar nooit de lier de zedeloosheid huldigtDe Belgische Muzenalmanakken van de voorgaande jaren, degene van 1826 uitgezonderdGehuwde mannen kunnen de blz. 156 en 223 - 226 van dit jaarboekje eens nazien., kunnen ten bewijze strekken.

Wij houden het ten volle met Bilderdijk's gevoelen: ‘hoe wonderspreukig het tegenwoordig ook klinken moge, poëzy, godsdienst, zedelijkheid zijn in 't gevoel, dat in deze-alle het wezen maakt, allernaauwst aan elkander verwant’Taal- en Dichtkundige Verscheidenheden. 1824. D.I, bl. 206..

Wij halen deze plaats liever aan dan sommige verzen uit het werk van denzelfden Dichter: Mijne verlustiging, of uit de Minnedichtjes van Tollens., Noch, als de Gal wel eens, al schertsend, verontschuldigt; Waar zij, behandeld door een vlekkelooze hand, Zoo zielverheffend klinkt voor deugd en Vorst en Land, En, in geen schuilhoek zelfs, een zeedloos lied doet hooren; Is zeker 's Hemels telg, de Dichtkunst, niet verlorenEr heerscht een goede geest onder de vlaamsche Dichters, die het allen met Vorst en Vaderland wél meenen. De uitgave der bekroonde Dichtwerken op het onderwerp: De echte Vaderlander, uitgeschreven door het Koninklijke Rhetorijk van Kortrijk, tegen den 16 Oogstmaand 1829, en opgedragen aan Z.K.H. den Erfprins, heeft ons hiervan een nieuw bewijs opgelevertHet verslagbiljet, dat de beoordeelaars der ingezondene Dichtstukken bij dezen Dichtbundel gevoegd hebben, is onbeduidend. Het ware te wenschen, dat de Regters onzer Dichtkunststrijden telkens hunne beslissingen, even als de geregtelijke vonnissen, gemotiveerd uitgaven. Dit zoude ons het bewijs hunner bevoegzaamheid tot Kunstregters, - en den mededingenden Schrijver kunstbevorderende wenken verschaffen.. - De geschiedenis onzer Rhetorijken getuigt, wat invloed zij eens op den volksgeest uitgeoefend hebben.. 't Vliet eens in zangen uit, des Vlamings rein gevoel, En, magtig zijner Taal, bereikt hij 't edelst doel.

III.

Al ben ik geen poëet, 'k mag in de toekomst lezen: Eens is de Dichtkunst hier, trots tegenstand, verrezen. Zij vlood voor Spanje's en voor Frankrijks dwinglandij, Maar slaat aan 't speeltuig de eens geknelde hand, weêr vrij. Vergoede ons dra die tijd, dat ook aan onze zangen De Noorderbroeders, op hun beurt, met wellust hangen! Dan spreide, als heldre star aan Vlaandren's lettertrans, Ook hier een Instituut zijn schitterenden glans! Al zie men aanstonds, hoe men werf langs straat en wijken, In de Akademiestoel geen veertig schrijvers prijken.

IV.

Intusschen dat men leeft op hoop, en d'ijver kweekt, Wat is er, dat hier steeds ontbrak, en nog ontbreekt; Al deelt men prijzen uit, op zalen en in tenten? Gestrenger Schrijvers en min zwakke Recensenten. Gij, die in rijmgegons uw tijd vermoorden wilt, Roept uit: ‘waarom toch aan 't beschaven tijd verspild?’

Daar uw Prospectus reeds de onzaalge pers doet kraken, Moet gij, als bij het schoft, het halve werk nog maken. De Schrijver is hier vaak zijn eigen recensent, En zijn berisping-zelv' verkeert in compliment. Wat schenkt hem letterroem? Een diefstal of een logen. Geen Sentinelle waakt, en de Argus sloot zijne oogenLa Sentinelle, een deels letterkundig critisch weekblad, eerst te Gend en later te Brussel uitgegeven. - De Argus was een Recensent, waarvan de eerste te Brussel, en de tweede tot Amsterdam, zijne honderd oogen gesloten heeft.

Göthe in een kluchtig versje mishandelt de Recensenten zoo sterk, als zij het ooit iemand gedaan hebben:

Da hatt' ich einen Kerl zu Gast, Er war mir eben nicht zur Last; Ich hatt' just mein gewöhnlich Essen, Hat sich der Kerl pumpsatt gefressen, Zum Nachtisch, was ick gespeichert hatt', Und kaum ist mir der Kerl so satt, Thut ihn der Teufel zum Nachtbar führen, Ueber mein Essen zu räsonniren; ‘Die Supp' hätt' können gewürzter seyn, Der Braten brauner, firner der Wein.’ Der Tausendsakerment! Schlagt inh todt, den Hund! Es ist ein Recensent!

Men weet hoe ruw Bilderdijk met de Recensenten omspringt, waarvan er waarlijk eenigen met Pope's meesterlijk leerdicht niet bekend schijnen te zijn; zoo dat men zelfs een arsenaal in Holland voor de beledigde, of zich beledigd achtende, schrijvers geopend heeft, met een Recensent der Recensenten uit te geven. In Vlaanderen bestaat er geen enkel werk der critiek van Letterkundige voortbrengzels toegewijd.. Geen Nieskruid biedt men aan der rijmlaars bleeke rijNieskruid voor den Heer Nierstrasz, Jr. Amst., 1828. Zoo luidt de titel van een hekelschrift, dat, al ware het ook uit de pen van M. Wap gevloeid, van hypercritiek niet vrij te pleiten is., Opdat hun 't zware hoofd verligt, gezuiverd zij; Noch wenscht al knikkend toe, als men 't naar wensch hoort werken: ‘Mijn heer, God zegene u, en wille u 't brein versterken¡’

Een vleijer slechts vergoodt al, wat in 't daglicht rijst, En prijzen kan slechts hij, die met bepaling prijst. Hoe lang strooit Crito nog voor elk verdorde bloemen, Daar hij zelfs d'opslag van de werken weet te roemen? Als Crito spreken wil, is elk reeds overtuigd; Elk kust de steenen, als zich Crito nederbuigt. 'k Verkies liefst van 't gevoel des Aristarchs te wezen, Dan 't zoo geprezen werk, het godlijk werk, te lezen.

V.

Gij, jongling! eens de roem van uw gezin, uw land, Die niet elk Neerlandsch schrift of goedkeurt of verbant; Die liever roem verdient, dan kunst of gunst te bedelen; Gij, alles u verpligt, gij kunt u zelf veredelen; En niet vergeefs lacht op het eind der letterbaan De hooggehangen krans uw hopende oogen aan. Gij, wien de Poezij, in elke vreugd en smarte, Niet enkel wellust, maar behoefte is voor het harte, Zoudt op een eiland zelfs, waar gij geen sterfling ziet, Het volgestroomd gevoel uitstorten in uw lied. De teedre filomeel, die onder lustprieelen De wandlaars toovrend streelt, blijft de eigen toonen kwelen, Al zit zij, eenzaam, aan het zeestrand op een rots, Bij woedend windgeloei, en gierend golfgeklotsDeze verzen zijn degene naargevolgd, die den IIIen zang van het heerlijke fragmentarische dichtstuk: La nature, door Le Brun, sluiten:

Voit-on le rossignol perdre ses doux concerts, Sur des rochers battus et des vents et des mers? Non, ses accords divins, libres dans un bocage, Charment les Dieux, les airs, le silence et l'ombrage. .

Gij, wien een's Dichters werk den boezem doet ontgloeijen, Laat, in de ontroeringsdrift, benijdbre tranen vloeijen, Als ge uitroept: ‘wat barbaar blijft bij die zangen koel? Ik ook ben Dichter, ja! 'k heb dichterlijk gevoel!’ U, jongling, juich ik toe! U dient een gids beschoren.

VI.

't Zij Bilderdijk! hij moge uw letterlust bekoren. Wien hij bekoren kan heeft vordering gemaaktWij hebben op den Schrijver van het, jammer! nog onvoltrokkene dichtstuk: De ondergang der eerste wereldDe liefhebbers van onleesbare, doch zeldzame werken, geven meer geld voor den Op- en nedergang der eerste werelt van Abraham Juchen (Amst., 1684.) dan voor Bilderdijk's meesterstuk; een kostelijk werk! doch niet slechts om dat het vier nederlandsche gl. kost., het vers van Boileau toegepast, waar deze van Homerus spreekt, wien onze Bilderdijk zoo meesterlijk heeft bezongen 't Gestarnt' verving de plaats van de uitgedoofde zon, Om, met ontleenden glans of flaauwe vonkelstralen, De duisterheid der nacht te danken voor zijn pralen. Zoo is, zoo was Virgil, zoo 't gansche Dichtrendrom Dat, na Homerus eeuw, aan Pindus hemel glom. ..................... Homerus! Dichter! ja, waarachtig, eenig Dichter: Men rooft den adelaar zijn bliksempijlen ligter In 't zwavelzwangre zwerk, dan u de kunstpalet, Wier verwen vlammen zijn, van dampen onbesmet. Dan u dat fix penseel, wiens gadeloos vermogen Niet schildert, niet verbeeldt, maar schept voor menschlijke oogen, En met gewisser slag de ontroerde harten treft, Dan zelfs uw Jupiter, als hy zijn donders heft.

Bij de vergelijking van deze verzen met degene, waarin wij Bilderdijk onze hulde hebben toegebragt, zal men sporen van navolging ontdekken. Is het mogelijk, dat zoo vele zuid-Nederlanders, die met de meesterstakken van de bevallige fransche taal bekend zijn, Bilderdijk niet enkel niet verstaan, maar voor onverstaanbaar uitkrijten?

Boileau schrijft Homerus eene hoedanigheid toe, welke Midas eigen geweest is:

Tout ce qu'il a touché se convertit en or.

Zie daar het verschil tusschen Midas en zijne zonen in Nederland! zij hebben zijne ooren, en niet zijne handen.

Men moet Arcadiën alleen den lof niet gheven Van d'esel-queeckery; want waer de menschen leven, En in wat landt ghy eens de neuse maer en steeckt, Ghy vindt dan d'esels daer oock worden op-ghequeeckt. Werken van Lambertus Vossius. Brugghe, 1699, bl. 83.

Zulke ezels komen somtijds wel van groote mannen voort: zoo vroeg Vondel's zoon, mede Joost genaamd, en die, met zijne loszinnigheid eene verregaande onwetendheid paarde, aan zijn' Vader,of Joseph, die het voorwerp van drie zijner treurspelen uitmaakte, katholijk geweest was. (W. Geysbeek, Woordenboek, D. VI, bl. 87.)

De, als Becanus en Schrieckius geleerde, doch even zonderlinge De Grave, wil in zijn werk: République des champs-Élysées, Homerus en Hesiodus tot Belgen maken: waarschijnlijk, om dat het ons niet meer zoude verwonderen, dat Achilles Zanger, even als onze liedjeszangers, zijn brood heeft moeten bedelen.:

Aimez donc ses écrits, mais d'un amour sincère. C'est avoir profité que de savoir s'y plaire.

Quinctiliaan had reeds van Rome's Redenaar gezegd: ‘Hunc igitur spectemus, hoc propositum nobis sit exemplum; ille se profecisse sciat, cui Cicero valdè placebit’L.K, c. 1..

Wij bewonderen Bilderdijk, als Taal- en Letterkundigen, zoo zeer als iemand; maar keuren sommige zijner zonderlinge begrippen zoo min goed, als de onkiesche beleedigingen, waarmede eenige hollandsche Fréron's den beruchten Grijsaard, die een vruchtbaar dichterlijk talent met Voltaire gemeen heeft, overladen hebben.

Wenscht de groote Dichter, b.v.:

ô Mocht geheel Euroop van west- tot oosterkimmen, 't Godtergend helsch Parijs in vlammen op zien klimmenN.B. In het werk: De voet in 't graf, bl. 7.!

De zeden- en menschenvriend verzucht even bij zulk eene onchristelijke taal, als bij de, zoo talrijke zede- en goddelooze, fransche werken; en wat stelt hij Bilderdijk tegen? Bilderdijk-zelven. Immers spreekt deze, naar aanleiding van Genesis xviii, 32, aldus tot God:

Om tien rechtvaardigen zon Sodom zijn behouen. Gy kent, Gy onderscheidt de oprechte GodgetrouwenAvendschemering. Brussel, Sacré, 1828, bl 16.

Wel hem, die in uw werk een reinen wellust smaakt, O Bilderdijk, wen gij in onnavolgbre zangen Of Griek of Romer volgt; die aan uw toon blijft hangen, Als gij, met milde hand, het letterooft hem biedt, Dat in uw vruchtbren tuin op Holland's grond ontschiet. Ja, onuitputbre geest, regt dichterlijke Dichter, Een dwerg ontrukt de knods aan Herkles vuist veel ligter, Dan iemand u de lier, die zielverrukkend klinkt, En eens, als Orfeus luit, aan Pindus hemel blinkt. Genoeg! Der Dichtren Vorst bezongen, noch verdedigd! Verdorren moet de hand, die de achtbre kruin beledigt!

VII.

Ik weet het: Vlaandren zwaait meest hem den wierook toe, Die 't Vaderland bezong, gezweept door 's Gaulers roê. Ik ken er menigeen, die stout hem na wil apen: Hij staat met Helmers op, en gaat met Helmers slapen. Maar menig heeft zich in dien lossen keus vergist, Die Helmers leemten heeft, en Helmers schoonheên mist. Voor hem, dien de eedle Bard, gelijk een Meester huldigt, Aan wien hij zijne kunst, zijn luister was verschuldigd; Voor hem, die schittrend, als der Dichtkunst morgenster Zich ophief, - Barneveld bezong en Lucifer, Kniel ik ter neêr; ik kniel voor de aangebeden Schimmen, Die 't Dichtkunstlicht, zoo lang bedekt, hier deden klimmen.

'k Stel tot bewondring hen, niet tot modellen, voor, Als grooter Dichter glanst in nooitgetaanden gloor. Soms moge Vondel fraai, verheven, roerend zingen, Wat poogt men langer hem tot afgod op te dringen, Die wel op stoute wiek bijwijlen zich verheft, En met een tooverslag den boezem streelt en treft, Doch wansmaak, valsch vernuft aan teêr- en stoutheid paarde. Die (ligt na dat hij pas verwondring, geestdrift baarde,) Vaak lach- of slaaplust wekt door klinkklank of gebromWij kennen de schoone verzen van Helmers op zijn' meester Vondel van buiten; wij weten, dat Brandt, in zijn Leven van Vondel schrijft: ‘Men mag hem, vrij den Vader der allerzuiverste en volkomenste poëezij noemen; van wiens lof gewaagt, al wat nederduitsch spreekt of verstaat en de poëzij bemint. - Wien men wel in staat is te berispen, doch op geen duizendste gedeelte in zoetvloeijendheid, hoogdravendheid, zuiverheid van stijl en aardigheid van zin te evennaren.’ Wij weten, dat Jeronimo de Bosch, eene LofredeZie Algem. Magazijn, D. I, en Werken van Teyler's tweede genootsch.; en Siegenbeek, een LofverhandelingWerken der Bataafsche Maatschappij van T. en Dk. D. II, bl. 37. opj Vondel geschreven hebben.

Wij weten, dat er op den Lucifer-alleen twee lofwerken bestaanIets over de karakters der hoofdpersonen in den Lucifer van Vondel, door Warnsinck, Vad. Letteroef. voor 1825. Mengelw., bl. 550; - en Macquet's eenigzins uitvoerige critische beschouwing over dit tooneelstuk in de Proeven van Dichtk. Letteroefeningen, D. III, bl. 41..

Wij weten, dat Ploos van Amstel Vondel afgodisch boven al de oude Dichters in onderscheidene vakken steltIn eene Redevoering te vinden in de Letteroef. van het Kunstgen.: Diligentioe omnia, bl. 14..

Maar wij weten ook, dat de tijd van het jurare in verba magistri over is. Vondel-zelf verwierp, bij gevorderde kunstoefening, zijne eerste wanstallige voortbrengzels. Dat ook zijne latere blijken van den wansmaak, die zijnen tijdgenooten zoo gemeen was, dragen, zal niemand in twijfel trekken, die hem wat meer dan uit Lofredevoeringen van letterkundige échos, of uit Bloemlezingen kent. Dat zelfs hetgene in Vondel afzonderlijk beschouwd, schoon is; als deel van een geheel beschouwd, wanschikkelijk is, (zijne reijen, b.v.,) mag men uit Feith's en Kantelaar's critiek opmakenBijdragen ter bevordering van Schoone Kunsten en Wetenschappen, I st., bl. 46 en volg..

W. Geysbeek heeft een half boekdeel aan de beoordeeling van Vondel gewijd: wij zullen hier eenige regels van dezelve overschrijven:

‘Dat Vondel de karakters zijner personaadjen meesterlijk geschilderd, en hunne onderscheidene hartstogten krachtig in werking gebragt heeft in den Lucifer, zal niemand betwistenBeroepen Woordenboek, D. VI, bl. 144..

Palamedes, die hij twaalf of dertien jaren vroeger opstelde dan den Gysbrecht van AmstelZie Kotzebue's oordeel over Vordel, en voornamelijk over dit treurspel, in den Almanach voor Blijgeestigen. Brussel, 1827, bl. 77., heeft veel meer wezenlijke schoonheden en veel minder gebreken dan het jongere treurspel, of zijne andere tooneelpoëzij, die meer ontsierd zijn door smaakloos gekunstelden opschik, vergezocht valsch vernuft, en ongelijken, gezwollen of platgemeenen stijlBer. Woordenb., D. VI, 196 en 240. Zie mede zijn apollineum over het valsch vernuft in de Poëzij en Welsprekendheid, D. I, bl. 47..

Vondel's hekeldichten verdienen dien naam niet: zij zijn slechts paskwillen; waarvan eenige, zoo als dat tegen den braven CatsZie Vondel's Dichtwerken, D. XI, bl. 215., de verontwaardiging opwekken’W. Geysbeek, bl. 505, (dien men over onze hekeldichters kan raadplegen; alsmede onder het Art. De Lannoy, Higt, Hoffham, Pluimers en Zeeus (Jacob). Zie mede in zijn Apollineum, D. II. bl. 75.

Over het Stroomgedicht, dat even als het Hofgedicht, een bijzonder genre der Nederlandsche Dichters schijnt te zijn, zie men hetzelfde werk D. V, bl 304..

Te regt zegt dezelfde Schrijver: ‘Als wij van Anna Bijns te rug zien op Melis Stoke en Maerlant, hoe ver is zij dan niet alreeds boven dezen gevorderd! hoe laag zinkt zij nogtans weder weg bij Vondel en zijne tijdgenooten! en wat zijn deze bij onzen eenigen Bilderdijk! het oneindig voortstreven van den menschlijken geest schijnt, ten minste hier, geen' schoonen droom te zijn’Ib. D. I, bl. 455... Te lager stort hij neêr, valt hij, die schittrend klom.

Triumf! de dorgeschaafde en doodgelikte zangen Der Feitamasche School zijn door de taal vervangen Der geestdrift, des gevoels (van 't juk der vitterij Na worstlen losgerukt), - door ware Poezij. Thans rijst der Muze, eens in het keurslijf stijf geregen, Het rieten stafje van Pedanten niet meer tegen. Fier, vrij, als 's menschen geest, steeg ze op in zwiergen dos, En 't hartontvlammend vuur spatte in heur zangen los.

VIII.

Om onzen zangberg naar den kunsteisch in te rigten, En er een geestig gek- en gasthuis op te stichten, Hoefde ik de vindingskracht van schrandren Kieckepoot, Die Vlaandren menig plan, een wedde waardig, boodDe naam van dezen beruchten gendschen Planmaker, die een werkje uitgegeven heeft, getiteld: Kasteelen in Spanje of de ontwerpmaker van Vlaanderen, is Kieckepoost. Maar dat lieve rijm!....

Ik ook ken nog een plan, dat ik hem gaarne wil mededeelen: het strekt namelijk, om palen te stellen aan de prulschrijverij; hetwelk misschien even zoo moeijelijk is, als het vinden der lengte op zee, of het vierkant des cirkels; namelijk: van de uit te geven werken aan geene censores, maar aan de goed- of afkeuring der, daar toe op te rigten, Collegien van kundige mannen te onderwerpenZie het slot der Verhandeling over de beweegredenen tot het schrijven en uitgeven van boeken, door A.B. Fardon; in geysbeek's Apollineum, D. III..

Er zijn wel slechter plannen bedacht.... en uitgevoerd. De gegratificeerde Kieckepoost doe zijn voordeel met het deze!! Doch mag een ander, nooit dien zangberg opgetreden, Hem wetten schrijven, en Boileau in 't breed ontleden, Wat hindert, dat ik ook, den kunststaf in de hand, Gelijk De Simpel, in den regterstoel mij plantDe heer David de Simpel heeft in 1825 te IJperen een werk in twee boekdeelen uitgegeven, onder den titel van: Beredeneerde ontleding van de voornaamste grondregelen der dichtrede- tooneel- en uitgalmkunst, gevolgd van eene nederlandsche prosodia. Deze prosodia nu is, gelijk het de Schrijver bekent, eene verkorting van de Proef der hollandsche prosodia, van Kinker; de heer De Simpel heeft, na zich met oordeelkundige lettervrienden te hebben beraden, goedgevonden dezelve meer licht bij te zetten; want hij had gehoord, zelf tot geleerde mannen toe (?) klagen, dat het voornoemd werk van Kinker een doolhof voor 't verstand was. Niet tegenstaande het door de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen wel degelijk met goud was bekroond, en tevens een buitengewoon geschenk van zilver waardig gekeurd werdZie de voorrede van dit werk, gedrukt te Amst., 1810..

De dichtkunde in het werk van den Heer De Simpel voorkomende, bestaat uit de vertaling van l'Art poètique de Boileau, door Goêbel, voorzien met aanteekeningen, die dit dichtstuk uitéénzetten. - De tooneel- en uitgalmkunst zijn uit verscheidene, meest fransche, schrijvers getrokken.

Wij doen gaarne hulde aan de belezenheid van dien schrijver, wij erkennen gaarne zijn' ijver voor de Letterkunde; ijver, dien Z.M., onze geliefde Koning, door eene vereerende belooning heeft willen aanmoedigen, bij gelegenheid van een ander uitgegeven werkje: maar een goede wil is niet genoeg, om zich als Leermeester op te werpen; gezwollenheid en onnaauwkeurigheid ontsieren die compilatie, eene rudis indigestaque moles. Ook het fransche lofklinkdicht aan den Schrijver, dat wij in dit werk aantreffen, en waarin men hem zedig le moderne Apollon noemt, is eene ongelukkiggenoeg vernieuwde mode met de meeste dichtbundels in-4. der voorgaande eeuw gelukkig begraven., Schoon 'k u niet, als Van Loo, in zes paar verzen streele, Met Phoebus, Mars, Auroor, Tithonus, Filomele, Van Loo, die 't wetboek van de Dichtkunst heeft berijmd, Drie duizend verzen schier daartoe heeft zaamgelijmdDe zeker niet onverdienstelijke Heer Van Loo, van Brugge, heeft eene Nederlandsche Dichtkunst, in 1828, bij Prospectus voorgesteld, een Dichtwerk, dat uit meer dan 2,600 verzen bestaan moest.

De twaalf door ons bedoelde verzen komen in degene bij dien Prospectus medegedeeld voor:

Is 't niet de blonde Auroor, Tithonus jonge bruid, Met rozenvingren, die ons d'oosterkim ontsluit? En als de gouden zon de dagster gaat verbannen, Gaan d'uren niet met vlijt de vlugge paarden spannen Voor haren wagen, wijl de groote Phoebus zelf De vuurge kleppers drijft door 't hoog azuur gewelf, Door niemand buiten hem te mennen of te dwingen. Als ik den nachtegaal hoor zoo verrukkend zingen, 't Is Philomelas stem, die haren hoon en smaad, In treurgezangen nog de wareld weten laat. En hoor ik breed en wijd des oorlogs donder klettren, 't Is Mars met zijn gevolg, die 't aardrijk dreigt te plettren.

Twee uittrekzels van dit werk komen er in den bundel uitgegeven door de Koninklijke Letterkundige Maatschappij van Brugge, voor 1822, voor; aan welke stukken het misbruik der Godenleer wel eens eene ouwerwetsche rhetorijkkleur bijzet, maar waaruit fraaije brokken over te nemen zijn.

Wij leveren den Heer Van Loo de volgende regelen van Victor Hugo ter bedenking over: ‘Ce besoin de vérité, la plupart des écrivains supérieurs de l'époque tendent à le satisfaire. Le goût, qui n'est autre chose que l'autoritè en littérature, leur a enseigné que leurs ouvrages, vrais pour le fond, devaient être également vrais dans la forme; sous ce rapport, ils ont fait faire un pas à la poésie. Les écrivains des autres peuples et des autres temps, même les admirables poétes du grand siècle, ont trop souvent oublié dans l'exécution, le principe de vérité dont ils vivifiaient leur composition. On rencontre fréquemment dans leurs plus beaux passages des détails empruntés à des moeurs, à des religions ou à des époques trop étrangères au sujet. Ainsi l'horloge, qui, au grand amusement de Voltaire, désigne au Brutus de Shakspeare l'heure où il doit frapper César, cette horloge se retrouve, au milieu d'une brillante description des Dieux Mythologiques, placée par Boileau à la main du temps, etc.’Poésies de Victor Hugo. Préface du second vol. de l'éd. de Paris..

Onze christelijke Tibullus, Bellamij, schildert de ontwaking van zijn smaak en vernuft aldus af: ‘Op hun spoor (namelijk het gene van smakelooze ondichters) begon ik ook verjaargedichten te maken, en in plaats van wezenlijke gedachten, schaarde ik alle Goden en Godinnen, Nimphen en Najaden in rijmende gelederen, en vergat niet Phebus, als hoofd van dit corps, het heerlijkst te doen uitkomen; dit begrijpt gij’In zijn uitmuntenden brief aan zijn vriend Kleyn, geplaatst voor Bellamij's gezangen, uitgegeven in 1785, bl. VII.

Dat prulschrijvers in het verergerend misbruik der Mythologie gevallen zijn, is niet te verwonderen. Zoo liet Pieter Sloof, een wormerveesche rijmer in 1739 een treurspel, Zuzanna genaamd, drukken, en schetste daarin:

Zuzanna, en naast haar het heidensch minnewicht; Een van de boeven vraagt aan Daniël: wat deert je? En voegt hem sierlijk toe: snotjongen, kwibus, heertje; Zuzanna zegt met zwier: haal zeep, en sluit de poort. Et 't gansche stuk bestaat in verzen van die soortJ. Nomsz, Mengelwerken, bl. 19..

Zoo gaf Opterbeek, in 1740, eene gerijmde vertaling der hoogduitsche navolging door Brockes van Herodes kindermoord, van den Italiaanschen Dichter Marino, waarin de Mythologie met de christenleer wonderlijk dooreen gehaspeld zijnw. geysbeek, Woordenb., Art. Opterbeek..

Zonderlinger is het, dat verdienstelijke Dichters in dit gebrek gevallen zijn; om hier niet eens te gewagen van Sannazarius, (in zijn dichtstuk: de Partu virginis,) van Camoëns, van Milton, van Malherbe, die de Mythologie misbruikt hebben; en van Voltaire-zelven, die in zijne Henriade de Liefde volgens het denkbeeld der Mythologie beschrijftZie over Camoëns: Essai sur la poésie épique, van Voltaire, en over den IXen zang der Henriade - zelve: La Harpe, Cours de litt.; zullen wij slechts van Rotgans en D. Heinsius spreken.

De eerste doet zijnen held, Willem IIIDit heldendicht mag echter, niet tegenstaande meer dan ééne misgreep, tot een' tegenhanger van Van Haren's Friso strekken. Zie W. Geysbeek, ber. Woordenb., D. V, bl. 185, en De Vries, Gesch. der N.D., D. I, bl. 300., dien hij bedestonden laat houden, van Christus droomen, en gedurig in aanraking met Neptunus, Nereus, Thetis, Tritons, Najaden en soortgelijke zeegoden komen.

De tweede vlocht de godenleer in het verhaal der omstandigheden, die bij Christus dood plaats grepen, en gewaagde in hetzelve van Atlas, Natura, Cocytus poel, Pluto, Cerberus, Tisiphone, de Phlegethon, Typheus, en dergelijke mytholoogsche krullen meerLof-sanck op Jesus-Christus, te beginnen van het vers:

Het schutzel van de kerk zeer kostelyck geweven. .

De vernuftige Spieghel had echter reeds gezegdHertspieghel, B. I. v. 107.:

-_______ Ick doorwroet ons grondwóórd - ryke taal, En my uytheemse pronk: kort valt myn dicht en schraal: Licht werd ik ketter dies, by Rimers en Poëten. Kan dóch geen duitsche sant na grieksch mirakel heeten. ....................... Nereus nóch Doris nimf, nóch bosch - gód, my behaghen. Naiaden óf Napeen, die ons lui noit en zaghen, D'onduitse Hamadryen wy zelf met voorzicht vlienVlaming heldert deze plaats aldus op:

En my) Vermy.

Ketter dies) Lichtelijk zal ik derhalven als éen ketter gehouden worden.

Kan dóch gheen duitsche Sant.) Ik wil met het doen, dat is met het melden van mirakelen, daer de Grieksche schryvers van overvloeien, geen Sant in Nederlant heten.

En hij teekent daarbij aan: ‘'t Was een ziekte van des Dichters tydt, dat de Nederduitsche rymers waenden boven anderen te zullen uitmunten, door hun geleerdheidt ten toon te stellen, en met vreemde namen der Godheden, enz., hunne vaerzen te proppen. Gelijk noch buiten anderen in J.B. Houwaert, anders een maa van verstandt, overvloedig te zien is.’ - Deze Houwaert was een Brusselaar, dien men wel eens, zonder regt, den Brabandschen Cats genoemd heeft; en die even vergeten is als jonker Jan van der Noot, in zijnen tijd Prins der Nederlandsche Poëten genoemd, en door Cassandra aan de Dichters van Augustus eeuw tegenovergesteld. Zie Willems berigt over Van der Noot, Belgischen Muzen-Almanak, 1830, bl. 202.. .

IX.

Wilt gij door 't drok gewoel der ongewijden boren? Gij moet en zuivre taal en zuivre maat doen hooren. Doe niet als menigeen, die met de woorden kaatst, En hen, gelijk het valt, nu hier, dan ginder plaatst; Bij wien men in elk vers een woord verminkt zal lezen, Als of een neêrlandsch dicht geen Nederlandsch moest wezen. En of, trots roede en plak, een vlaamsche MaeviusBoileau, die in zijn Discours sur la satyre, de hekeldichters, tegen de aanvallen van sommige betweters verdedigt, zegt aldaar: ‘Mais que diront-ils (mes censeurs) de Virgile? le sage, le discret Virgile, qui dans une eglogue, où il n'est pas question de satyre, tourne d'un seul vers deux Poëtes de son temps en ridicule?’

Qui Bavium non odit, amet tua carmina, Moevi. Die Bavius niet haat, min, Maevius, uw zangen!

Tot verdediging van het hekeldicht leze men mede de Verhandeling door Despazes vóór zijn werk: Les quatre satyres, ou la fin du XVIIIe siècle, geplaatst; de voorrede van het letterkundige hekeldicht: La DunciadeDit vernuftig, doch op enkele plaatsen te vrij, werk, heeft X zangen, en is naar het onsterfelijk dichtstuk van Pope benoemd. Dunce beduidt een domhoofd in het engelsch., van Palissot; Le temple du goût, van Voltaire, enz., Het regt bezat van een Notarjus BelgicusNotarius Belgicus oft ampt der Notarissen, verdeelt in theorie pratyque, mitsgaders de formulieren volgens den modernen stiele, en hedendaegsche observantie; waer naer volgt een extens vocabulair door J.B. Huygens. Brussel, 1771.

Zoo luidt de titel van een werk, waarvan de barbaarsche stijl nog sommigen Notarissen ten gids strekt; wier akten niet slechts van basterdwoorden, maar ook van verfranschte woordschikkingen, overvloeijenMet de fransche basterdwoorden der Vlamingen spot reeds Melis Stoke, (die zijne Chronijk in 1305 eindigde,) V.B., v. 1284-1294, bl. 435. Zie Van Wyn, Hist. avondst., bl. 278.. Over het algemeen behoorden deze beambten de Notarissen van Parijs wat meer in hun gekuischten stijl, en wat min in hunne hooge rekeningen te volgen.

Over Bartholus zij hier slechts aangeteekend, dat hij een vermaard italiaansch regtsgeleerde was, geboren in 1313 en in 1355 overleden; die breedvoeringe uitleggingen op het romeinsch regt schreef; het hoofd eener, naar zijnen naam geheeten, school werd; en onder andere beruchte leerlingen Baldus had. Of belgischen Barthool, om slechts op andre wetten, Dan van de moedertaal, met haviksblik, te letten. De versbouw levere ook der aandacht rijke stof! Wilt gij niet stromplend dwalen naar der Dichtkunst hof, Van 't spoor. 't Vers vloeit vaak traag, dat schichtig voort moet snellen, En 't stapt op éénen trant, wat of het moog' vertellenDe opgave van eenige nederduitsche Prosodijen kan hier voor eenigen zijn nut hebben.

Schragé gaf in 1781 het eerste deel van zijn Praktisch leerboek der Dichtkunde, hetwelk verscheiden goede lessen wegens de prosodije en versbouw behelst; het overige is achterwege geblevenW. Geysbeek, Woordenboek, onder het Art. diens Schrijvers..

Laurens van Santen liet zijne Rvvwe proef over het werktvigliike der Dichtkvnde te Leijden in 1796 drukken; het werkje, ondanks deszelfs zonderlinge, vreemde en onaangename spelling, (ten naasten bij die der zestiende eeuw,) bevat een scherpzinnig onderrigt in het gebruik der verschillende voetmaten, en is jongen Dichters zeer aan te bevelenW. Geysbeek, Woordenb., onder het Art. diens Schrijvers..

Van Alphen geeft in zijne Inleidende verhandeling ter verbetering der Nederlandsche Poëzij menigen goeden wenk.

Eén woord over den Vlaemschen prosodia door W.J.C., ex-prof. (Mechelen, 1791)! Gelukkig was die man ex-professor; want hij verstond niets aan zaken, over welke hij zich als professor opwierp.

De Hollandsche dichtmaat en prosodie, toegepast op het rythmus en metrum der ouden, in zoo verre beide in onze Hollandsche Dichtkunde zouden kunnen worden ingevoerd, door Gerrit Hesselink, (Amst., 1808,) die mede eene onderrigting over ouze gewone versmaat bevat, behelst veel goeds.

De proeve eener hollandsche prosodia, toegepast op het rythmus en metrum der ouden van Kinker, (waarvan wij in de voorgaande 13de aanteekening gewaagden,) behandelt de toonkunde der spraak, de spraak-melodie, de toonkunde der letters, de maatkunde der spraak, de rythmische maatkunde, enz. op eene uitmunde wijze.

Lulofs, in zijn Woord over de nederlandsche prosodij, het § 188-209 van zijne Nederl. spraakkunst, stijl en letterkennis uitmakende, zet de grondregels van den versbouw bundig uiteen.

Men raadplege mede Bilderdijk's Letterkundige verscheidenheden, en de voorrede van Kinker's poëzij. Beiden althans zijn bevoegde regters in dit vak.

De Ondergang der eerste wereld van Bilderdijk, kan in verheven poëzij, tot model van versbouw strekken. In verzen van vijf voeten, (welke men niet, om ze welluidend voor te dragen, op den scanderenden toon der oude declamatores, maar op de wijs der regels vau Shakspeare lezen moet,) een der moeijelijkste misschien, die er bestaat, kan de voorafspraak van Bilderdijk's Ziekte der Geleerde tot een voorbeeld strekken. In de Verhalen, in gemengelde verzen gemeenlijk geschreven, bevalt de versbouwkunst van Staring ons ongemeenZie het hollandsch tijdschrift: Apollo, 12 Februarij 1828..

Men moge het als eene hoofdvereischte der Dichtkunst beschouwen, om eene met kiescheid uijtgezochte voetmaat tot de behandeling van elk onderwerp, naar gelang van deszelfs inhoud, bij voorkeur als datgene te bepalen, hetwelk de Dichter opzettelijk daar toe behoorde te verkiezen. Burger bezat dit talent in den hoogsten graad: ten bewijze strekke zijn lied: vom braven man! Hier van daan ook, dat men bij hem zoo vele, te voren geheel onbekende, dichtmaten vindt, die na hem door eenigen meer - door anderen min gelukkig gevolgd zijnZie verder S. Van Linschoten, Gedichten, bl. 299; en Feith, IVe D. zijner werken. (Rott., 1824.) bl. 51..

Het geschiedkundige onzer voetmaat is keurig door Huizinga Bakker, in zijne Beschouwing van den ouden gebrekkelijken en sedert verbeterden verstrant, behandeldWerken van de Maatsc. der Ned. Lett. te Leijden, D. V, bl. 85..

Dan genoeg! ter verademing voegen wij, achter al deze aangehaalde werken, eenige schilderachtige verzen van onze beste Dichters.

Voorbeelden van kunstrijke overspringingen:

- Maar Gy, die boren 's hemels sferen Aan 's Vaders rechterhand den ongeschapen troon Beklomt, Gy, God uit God! Bilderdijk, Ondergang der eerste wereld, bl. 5.

Uw slaap is eindloos in den grafkuil, en 't ontwaken Verr' af. De morgenzon zal nooit uw koets genaken. Dezelfde, Mengelpoëzy, D. I, bl. 54.

Dáár! rolde Sisyfus vergeefs den zwaren steen Omhoog? een razernij wierp dien weêr naar beneén C. Loots, Het bijgeloofIn de Kleine dichterl. handschriften, verzameld door Uylenbroeck. D. IV, bl 27..

Zij nadren 't zeegedrogt, dat uit der watren schort, Zich heft, een eiland schijnt. De walvischvangst, in den IV zang der Hollandsche Natie.

- Hij slaat zijne oogen D'onmeetbren afstand door, zoo ver zij reiken mogen En siddert. Alles beeft bij d'aanblik op dit oord. Tollens, Overwintering op Nova-Zembla, bl. 13.

Voorbeelden van kunstigverzuimde middensnede:

Zij worstlen voortwaarts; rijzen beurtlings, plompen neder. In hetzelfde Dichtwerk, bl. 10.

Een dorre wereld, ongevoelig voor uw smart. Feith, Het graf, Ie zang.

Voorbeelden van het schilderachtige gebruik van trage of snelle lettergrepen:

Daar 't monster 't hoofd vast draait, en door zijn handen wringt. Bilderdijk, Mengelpoëzy, bl. 7.

........Al de aadren spannen zich; het harte Slaat flaauw, 't besmette bloed vloeit traag, staat stil, verstijft. Helmers van Laocoon. (Muzeum te Parijs.)

Hier rups traagkronklend, loom; daar vlinder ligt van vlugt. Feith, De ouderdom.

Zoo ooit de onsterflijkheid mijn boezem heeft doorwoeld, 't Was toen de minste toon..... uit al de wouden trilde Gedurig zachter smolt, gedurig verder scheen, En, langzaam door het veld zich spreidende, verdween. Het graf, IIIe zang.

Het volgende vers van Bakker, waarin alles vlugheid moet uitdrukken, is, wegens stroefheid, af te keuren:

Het stroomgeslacht speelt, bakert zich en spartelt.

Maar in het volgende drukt hij de trage beweging der rijzende koe fraai uit:

De trage koe rijst, rekt zich uit, en loeit. .

't Zij 't mingevalletjen, al in de groene laan, Bij 't murmelen der beek, bij 't blikkeren der maan, 't Zij 't bloedig oorlogsveld, bij 't briesschen van de paarden, Bij 't gillen van het volk, bij 't klettren van de zwaarden.

Zulk vers, hoe fraai het zij, heeft des al niet te min Bijwijl ik weet niet wat, dat slaaplust vordert, in.

Heb schoonheen aan natuur, vernuft en kunst te danken; Wees schilder door gevoel, door maatgang, woorden, klanken; Schets niet den donder, die door 't donker romlend raast, Als 't koeltje, dat door 't zachtgeschud geboomte blaast; Maalt gij een eiland af, ik zie het met mijne ooren, Op de onafmeetlijkheid der wateren verlorenMen treft dit vers in het begin van Helmers meesterstuk aan. De verzen, die hetzelve voorafgaan zijn de volgende van Feith, in den lierzang: Het geweten, nagevolgd:

Het zij natuur van wellust overstroomt, De lente veld en beek met bloempjes zoomt, En door het loof van 't zachtgeschud geboomt De koeltjes blazen; Of dat op eens de zwoele middagstond Het bliksemvuur doe schittren langs den grond, En rommlend door de donkerheid in 't rond De donders razen.

Er zijn tallooze voorbeelden van Ὀνοματοποιΐα in onze Dichters voorhanden. W. Geysbeek heeft eenige derzelve in zijne verhandeling over het gebruik der klanknabootzende woorden in de nederduitsche taalApoillineum , D. I, bl. 61. verzameld.

Men raadplege mede over klanknabootzing SiegenbeekRedevoering over het beoefenswaardige der Nederlandsche Tale, zoo om haar zelve, als om hare voortbrengselen. Gend, 1818, bl. 81. en SchrantVerh. over den rijkd. en de voortreff. der Nederduitsche Taal, bl. 180 enz. Zie mede mijn beroepen Lofdicht op de Nederlandsche Taal, bl. 29..

Bilderdijk volgt de verzen van Delille, in zijn Homme des champs:

Vous cependant semez des figures sans nombre, etc.

aldus meesterlijk na:

Gij, Dichter, bezig al wat geest en kunst gehengen, Leer't aaklige aan het blijde, en 't sterke aan 't zachte mengen, En stem uw toonen naar het voorwerp, dat gij maalt, Dat zolfs de klank van 't vers uw denkbeeld achterhaalt. Laat Zefir in uw' zang op luchte vlerkjens zuizen, En 't kabblend nat der beek met zacht gemurmel bruizen. Doch stort zich 't stormend nat met ziedend buldren uit, Zoo siddre uw woest muzijk van 't dondrend stroomgeluid. Laat d'os, in 't juk gebukt, den harden kleigrond ploegen; Men voele in 't moede dier en long en boezem zwoegen, En 't traag en worstlend vers ga dof en langzaam voort, Als wierd zijn logge stap op elken plof gehoord. De vlugge hinde vliê door de onafzienbre dalen, Men volge in hindenvlugt, en wete ze in te halen, En schoeie 't luchtig vers gezwinde wieken aan!Zie Van genabeth's Bloemlezing Brugge, 1828, bl. 180.

Raadpleeg over de maatkeuze en klanknabootzing Van Engelen, in de Werk. der M. van N.L. te Leyden, D. IV, bl. 194-204..

De volgende klanknabootzende verzen van onzen jeúgdigen stadgenoot, Pieter vanden Steene, van Dendermonde, achten wij der aanhaling waardig:

De wind waait woedend door het hijgend hout der wouden, Dat 's bliksems schicht doorsplitst en spleit tot op den grond. De ontbonden donder bromt, en, zonder op te honden, Verkondigt hij den storm den donkren omtrek rond.

Dan genoeg! Wij althans schrijven hier geene prosodije; en het zij voldoende, ter bevordering van jonge Dichters, aangestipt te hebben, dat, even als men de versbouw naar den eisch der zake moet buigen, (eene kunstgreep, waarvan zich de Latijnen en Grieken zoo meesterlijk, schoon op eene andere wijze, wisten te bedienen;) men naar denzelfden eisch de woorden moet kiezen en plaatzen..

Schoon zingt gij, als de gloed die u, wanneer gij schreeft, Bezielde, in 's Lezers ziel, met d' eigen kracht, herleeft.

Wel hem, die stout zich durft in hooger kreits verplaatsen, Een glanzend licht op zijn taafreel doen wederkaatsen; Het straalt den kantzuil door, dien hem Verbeelding biedt, Als hij, op Milton's spoor, haar tooverrijk doorschiet. Hij, nieuwe Schepper, wenkt, - en nieuwe wondren blinken; Hij spreekt, - en werelden ontstaan er, of verzinken.

Wie 't onbetaalbre boek met tranen niet besproeit Bij Dido's klagt, waan niet, dat Dichtvuur hem doorgloeit. Dwaas, die van Phillis lachje en kusje waagt te spreken, En, huichlend, 's anderdaags de passie mij komt preken; Dwaas, die op 't oorlogsveld het bloed bij stroomen stort, En doodsch verbleekt, als 't zoutvat omgeworpen wordtEen vooroordeel, dat van de bijgeloovige Romeinen afstamt, en nog ten huidigen dage in Vlaanderen heerscht. De Romeinen hadden hetzelve van de Grieken overgenomen, die, even als wij en onze Voorouders, de tafel een' bijzonderen heiligen eerbied toedroegenBlijkens de Vaderlandsche dischplegtigheden, door Van Alkemade.. Daarop steunt het verwijt, dat Archilochus aan zijnen schoonvader Lycambus doet:

Ὄ ρχον δ᾽ ενοφίθης μἐγαν, ἄλαςε ὴ τρἀπεζαν. ‘Gij hebt uwen eed verkracht: gij hebt het zout en de tafel ontheiligd?’Zie Les oeuvres d'Horace, par Dacier. in-4. Vol. I, pag. 252..

Eene euveldaad destijds zoo onvergeeflijk als het thans zijn zoude, iemand, die zich in Vlaanderen als Dichter uitplakt, te kortwieken.. Dwaas, die den storm ontbindt, bij 't klotsen van de golven, En slechts in 't pluimenbed tot hier toe lag bedolven. Wat zoekt gij buiten u? Daal in u-zelf, - en zing! Wie dan bij d'echten toon een sombre siddering Of zachte ontroering voelt, zal bij dien toon ontgloeijen; Zijn diepbewogen ziel voelt door dien toon zich boeijen.

Bij 't edelste verstand, hoe rijk aan kracht en gloed, Verraadt altijd het vers de laagheid van 't gemoed L'esprit en vain est plein d'une noble vigueur, Le vers se sent toujours des bassesses du coeur. Boileau, A.P.C. IV, v. 109.

De schriften van Campo Weyerman, wien het aan geen vernuft ontbrak, dragen dan ook meestal, bij een' verwaasloosden slordigen stijl, den stempel van zijn bedorven hart, onbeschaamde zedeloosheid, gemeen en laag karakter, losheid van beginselen, en ergerlijk levensgedragw. geysbeek, Woordenboek, D. VI, bl. 492..

Pieter Boddaert verloor met zijne zedelijkheid zijn dichterlijk talentw. geysbeek, Woordenb., D. I, bl. 317; en Alg. vaderl. letteoef. voor 1805, No 14, bl. 660... Beoefen, min de deugd: zij zal uw hart verheffen, Uw pen besturen, en ons onweêrstaanbaar treffen. Als mensch, als Dichter groot, wint gij het schoonste loon.

Verbeelding, geest, gevoel! gij schept der Muzen zoon; Gij steunt hem in zijn vaart op onafmatbre wieken. Hij zingt, en ziet de zon des roems voor hem aan 't krieken; Bij 't koestrend licht, dat ze op 't afmattend spoor verspreid, Rijst voor zijn oog 't gestigt der grootsche Onsterflijkheid. Verrukking grijpt hem aan; hij geeft een nietig leven De onsterflijkheid ten beste, en voelt zich de aarde ontheven.

X.

Op, Dichters! aan de Kunst met warme ziel gehecht! Triumf, in Vlaandren's oord bloeit Ge eens! Ik heb 't gezegdHelena van den Clooster, die, in 1747, eene soort van sybille was, vlocht onder anderen, ‘uyt hierder-heybloemetjes, eene harderwycker mey-kroon’ om het hoofd van Z.D.H. Willem Karel Henrik FrisoDichtk. lauwerbladen voor Z.D.H.W.K.H. Friso, D. I, bl. 132., die de Pythonisse Zijner Hoogheid met deze orakeltaal op den schedel drukte:

- God doe u 't zamen gryzen, En d'eere van uw Huis hoe langs, hoe hooger ryzen, Tot dat Hy aan U geev' de kroon der heerlykheit, Besprenkeld met het bloed des lams! Ik heb 't gezeit.

‘Dit’ ik heb 't gezeit, ‘der Harderwijksche Maget’, zegt W. Geysbeekw. geysbeek, Woordenboek, D. II, bl. 71. ‘overtreft alle tirades van dezen aard, van Corneille's qu'il mourût!’ af, tot Van Alphen's: ‘God zei: ik’ toeDe letterkundige Nederlanders zijn natuurlijk met Corneille meer bekend, dan met den Nederlandschen Dichter Van Alphen. wij schrijven derhalve het hier bedoelde vers af.

De dood van Prins willem den eersten. ‘Daar ligt de hoop van staat! wie stuit nu Spanjes woeden? De handen hangen slap: de held is bleek van schrik! Wie leeft er, die, na Hem, ons Neêrland kan behoeden?’ Zoo sprak het weerloos volk; maar Neêrlands God zei: ‘Ik!’

Ook wij sluiten deze eeuwigdurende Aanteekeningen van Aanteekeningen met het plegtige

Dixi.; waarom wij hetzelve der vergetelheid ontrukken.

Toen ik het laatste vers van mijn vierden zang schreef, was hetgene dier Sybille mij nog onbekend. De onpartijdige Kooper en Lezer van dit werkje oordeele, of mijn: ik heb 't gezegd! mede sublime is; ik moge dan ook op andere plaatzen altijd geene orakeltaal gevoerd hebben. Ik verwacht slechts toegevendheid en welmeenende teregtwijzingen, in plaats van loftuitingen. Veniam pro laude. Gelukkig, heeft mijne poging een' gelukkigen invloed op onze, zich in zuid-Nederland ontwikkelende, Dichtkunst!

Q.D.O.M.B.V.!!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.