VIII.
In Holland oefent men de kunst bij 't handeldrijven. Dáár ziet men 't minlijk vers dóór 't haatlijk cijfer schrijven't Heugt mij, zingt TollensGedichten. N.B. Vierde Druk. Rott., 1822. D.I, bl. 107.:
Dat een traan mijn oog ontviel, Die aan 't hart ontsprong, Als de pligt mijn volle ziel Tot de koopzorg dwong;
Dat ik, trots den strengen vloek, Die mijn lot mij scheen, Verzen schreef in 't haatlijk boek Door de cijfers heen. . Dáár vindt men vaak een Vrouw, wie roem geen schaamte wekt; Aan welke een schoone geest een schoonheid meer verstrekt; Die uit het graf van Feith een reiner vreugd kan smakenWil men een aardig bewijs, hoe dikwijls beunhazen zich tot regters over eene hun gansch vreemde letterkunde stellen? zie er hier dan één, onder duizend:
In 1824 las ik in de Pandore, een vermaard Journal scientifique et littéraire van Parijs, iets zoo omtrent: ‘Il est rare, qu'en Hollande un ouvrage parvienne à sa seconde édition. On cite pourtant une exception honorable à cette règle. C'est la réimpression d'un ouvrage de Feith, le Comte. ( Het Graaf.)’ - Risum teneatis?
Tissot is regtvaardiger: ‘La littérature hollandaise, peu répandue chez nous, zegt hij, est riche et féconde; elle possède des ouvrages où brillent les beautés d'un ordre supérieur.’Préface des Baisers et Elégies de Jean Second..
Zoo bragt Voltaire eenen Willem van Haren, wegens den schoonen lierzang: Léonidas, zijne hulde toe; een werk, dat hem dermate behaagde, dat hij den Dichter bij een' Demosthenes, een' Pindarus, een' Tyrteus vergeleekZie Mélanges de poésie et de littérature des Pays-Bas, par L.G. Visscher. Brux., 1820. Pag. 44.
Met dankbaarheid schrijf ik den naam van den Leuvenchen Hoogleeraar ter neder. Z. Weledl heeft mede eene Bloemlezing onzer Dichters even als Immerzeel, Schrant en anderen, opgeleverd Van de twee werken die Würth over dit onderwerp heeft uitgegeven, dient vooral zijn Cours préparatoire à l'étude de la langue hollandaise, in aanmerking te komen.. Mutemus clipeos, Danaûmque insignia nobis Aptemus.
AEneidos, L. II, v. 389., Dan andren, die zich op een danspartij vermaken; Die zelfs, wen de andre 't haar in Vader Vondel windt, Een vers aan heur toilet, of in heur bed verzint; Die, als ze bij den haard de pan heeft weggehangen, Door geen Romans - door Cats - het kladboek doet vervangen. Dáár snoeren liefde en kunst somtijds een edel paar, En met hun letterkroost verrijkt ons jaar op jaarOnze overgrootmoeders namen wel eens in de krijgsdaden hunner moedige echtgenooten deel. Mevrouw Bilderdijk bezingt dezelve, en verbindt zich aan de werkzaamheden van Nederlands grootsten Dichter. Andere eeuwen, andere zeden. Men weet dat Van Winter, in 1768, met de verdienstelijke Van Merken huwde, en insgelijks de poëzij gezamenlijk met haar uitoefende.. De blinde Moens zweeft zelfs door heel de schepping henen, En doet een dankbre traan lot God onze oogen weenenMejufvr. Moens, geboren te Cuba, in Vriesland, den 16en November 1762, is van haar derde jaar blind. Onder meer andere werken, die zij ons schonk, verdient eene beschrijving der jaargetijden opmerking. Met regt mag men haar de spreuk toepassen: Zij doet ons zien, wat zij-zelve nimmer kon zien.
De Gendsche Maatschappij van Nederlandsche Taal- en Letterkunde, heeft in 1825, haar Dichtstuk: De koophandel, beschouwd als een voornaam middel van volksbeschaving, bekroond, en haar tot Lid van verdiensten gekozen.
Bij deze Dichteres voegen wij eene andere, wegens haren stand niet min opmerkelijk: wij bedoelen Francijntje de Boer, eene edele dienstmaagd, te Sneck in Vriesland; de brave stadgenote en trouwe gezellin der, in 1826 overledene, schrijfster van den oorspronklijken roman Wilhelmina Noordkerk, de met roem bekende Fenna Mastenbroek.. Hier treft men Dichtren meest in lediggangers aan.
O zorgloos Snijder! die naar lettereer wilt staan, 'k Zie u in 't naaijen en in 't rijm den draad verliezen. Wat gramme God deed u zoo slaafsch een ambacht kiezen? Noch kleed, noch dicht heeft maat; gij snijdt en rekt en kapt; Gestopt is uw gedicht, uw kleeren zijn gelapt. Maak kleeren slechts, is uw beroep het kleeremaken! Die pen en naald bederft, zal in het gasthuis raken. U prangt de nooddruft, daar gij op geen klanten past; Van heldenverzen hebt ge een pakhuis opgetast; Bij wijze drukkers (want die vindt men hier bij hoopen!) Zal daarmêe, na uw dood, uw kroost vol vreugde loopen; En, in zijn laatste hoop bedrogen, snelt het voort Regt naar een winkelier - die aan geen rijm zich stoort.
En konde uw Zangster zelfs uw' kleinzoon 't kostje winnen, Gij toch, gij wont het duur; wend de afgedwaalde zinnen. Of waant ge, dat gij, met een dansersprong, flink, flank! Zoo ligt op Pindus springt, als op uw snijdersbank?
Cookies on Poetry Cove