VIII.
Om onzen zangberg naar den kunsteisch in te rigten, En er een geestig gek- en gasthuis op te stichten, Hoefde ik de vindingskracht van schrandren Kieckepoot, Die Vlaandren menig plan, een wedde waardig, boodDe naam van dezen beruchten gendschen Planmaker, die een werkje uitgegeven heeft, getiteld: Kasteelen in Spanje of de ontwerpmaker van Vlaanderen, is Kieckepoost. Maar dat lieve rijm!....
Ik ook ken nog een plan, dat ik hem gaarne wil mededeelen: het strekt namelijk, om palen te stellen aan de prulschrijverij; hetwelk misschien even zoo moeijelijk is, als het vinden der lengte op zee, of het vierkant des cirkels; namelijk: van de uit te geven werken aan geene censores, maar aan de goed- of afkeuring der, daar toe op te rigten, Collegien van kundige mannen te onderwerpenZie het slot der Verhandeling over de beweegredenen tot het schrijven en uitgeven van boeken, door A.B. Fardon; in geysbeek's Apollineum, D. III..
Er zijn wel slechter plannen bedacht.... en uitgevoerd. De gegratificeerde Kieckepoost doe zijn voordeel met het deze!! Doch mag een ander, nooit dien zangberg opgetreden, Hem wetten schrijven, en Boileau in 't breed ontleden, Wat hindert, dat ik ook, den kunststaf in de hand, Gelijk De Simpel, in den regterstoel mij plantDe heer David de Simpel heeft in 1825 te IJperen een werk in twee boekdeelen uitgegeven, onder den titel van: Beredeneerde ontleding van de voornaamste grondregelen der dichtrede- tooneel- en uitgalmkunst, gevolgd van eene nederlandsche prosodia. Deze prosodia nu is, gelijk het de Schrijver bekent, eene verkorting van de Proef der hollandsche prosodia, van Kinker; de heer De Simpel heeft, na zich met oordeelkundige lettervrienden te hebben beraden, goedgevonden dezelve meer licht bij te zetten; want hij had gehoord, zelf tot geleerde mannen toe (?) klagen, dat het voornoemd werk van Kinker een doolhof voor 't verstand was. Niet tegenstaande het door de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen wel degelijk met goud was bekroond, en tevens een buitengewoon geschenk van zilver waardig gekeurd werdZie de voorrede van dit werk, gedrukt te Amst., 1810..
De dichtkunde in het werk van den Heer De Simpel voorkomende, bestaat uit de vertaling van l'Art poètique de Boileau, door Goêbel, voorzien met aanteekeningen, die dit dichtstuk uitéénzetten. - De tooneel- en uitgalmkunst zijn uit verscheidene, meest fransche, schrijvers getrokken.
Wij doen gaarne hulde aan de belezenheid van dien schrijver, wij erkennen gaarne zijn' ijver voor de Letterkunde; ijver, dien Z.M., onze geliefde Koning, door eene vereerende belooning heeft willen aanmoedigen, bij gelegenheid van een ander uitgegeven werkje: maar een goede wil is niet genoeg, om zich als Leermeester op te werpen; gezwollenheid en onnaauwkeurigheid ontsieren die compilatie, eene rudis indigestaque moles. Ook het fransche lofklinkdicht aan den Schrijver, dat wij in dit werk aantreffen, en waarin men hem zedig le moderne Apollon noemt, is eene ongelukkiggenoeg vernieuwde mode met de meeste dichtbundels in-4. der voorgaande eeuw gelukkig begraven., Schoon 'k u niet, als Van Loo, in zes paar verzen streele, Met Phoebus, Mars, Auroor, Tithonus, Filomele, Van Loo, die 't wetboek van de Dichtkunst heeft berijmd, Drie duizend verzen schier daartoe heeft zaamgelijmdDe zeker niet onverdienstelijke Heer Van Loo, van Brugge, heeft eene Nederlandsche Dichtkunst, in 1828, bij Prospectus voorgesteld, een Dichtwerk, dat uit meer dan 2,600 verzen bestaan moest.
De twaalf door ons bedoelde verzen komen in degene bij dien Prospectus medegedeeld voor:
Is 't niet de blonde Auroor, Tithonus jonge bruid, Met rozenvingren, die ons d'oosterkim ontsluit? En als de gouden zon de dagster gaat verbannen, Gaan d'uren niet met vlijt de vlugge paarden spannen Voor haren wagen, wijl de groote Phoebus zelf De vuurge kleppers drijft door 't hoog azuur gewelf, Door niemand buiten hem te mennen of te dwingen. Als ik den nachtegaal hoor zoo verrukkend zingen, 't Is Philomelas stem, die haren hoon en smaad, In treurgezangen nog de wareld weten laat. En hoor ik breed en wijd des oorlogs donder klettren, 't Is Mars met zijn gevolg, die 't aardrijk dreigt te plettren.
Twee uittrekzels van dit werk komen er in den bundel uitgegeven door de Koninklijke Letterkundige Maatschappij van Brugge, voor 1822, voor; aan welke stukken het misbruik der Godenleer wel eens eene ouwerwetsche rhetorijkkleur bijzet, maar waaruit fraaije brokken over te nemen zijn.
Wij leveren den Heer Van Loo de volgende regelen van Victor Hugo ter bedenking over: ‘Ce besoin de vérité, la plupart des écrivains supérieurs de l'époque tendent à le satisfaire. Le goût, qui n'est autre chose que l'autoritè en littérature, leur a enseigné que leurs ouvrages, vrais pour le fond, devaient être également vrais dans la forme; sous ce rapport, ils ont fait faire un pas à la poésie. Les écrivains des autres peuples et des autres temps, même les admirables poétes du grand siècle, ont trop souvent oublié dans l'exécution, le principe de vérité dont ils vivifiaient leur composition. On rencontre fréquemment dans leurs plus beaux passages des détails empruntés à des moeurs, à des religions ou à des époques trop étrangères au sujet. Ainsi l'horloge, qui, au grand amusement de Voltaire, désigne au Brutus de Shakspeare l'heure où il doit frapper César, cette horloge se retrouve, au milieu d'une brillante description des Dieux Mythologiques, placée par Boileau à la main du temps, etc.’Poésies de Victor Hugo. Préface du second vol. de l'éd. de Paris..
Onze christelijke Tibullus, Bellamij, schildert de ontwaking van zijn smaak en vernuft aldus af: ‘Op hun spoor (namelijk het gene van smakelooze ondichters) begon ik ook verjaargedichten te maken, en in plaats van wezenlijke gedachten, schaarde ik alle Goden en Godinnen, Nimphen en Najaden in rijmende gelederen, en vergat niet Phebus, als hoofd van dit corps, het heerlijkst te doen uitkomen; dit begrijpt gij’In zijn uitmuntenden brief aan zijn vriend Kleyn, geplaatst voor Bellamij's gezangen, uitgegeven in 1785, bl. VII.
Dat prulschrijvers in het verergerend misbruik der Mythologie gevallen zijn, is niet te verwonderen. Zoo liet Pieter Sloof, een wormerveesche rijmer in 1739 een treurspel, Zuzanna genaamd, drukken, en schetste daarin:
Zuzanna, en naast haar het heidensch minnewicht; Een van de boeven vraagt aan Daniël: wat deert je? En voegt hem sierlijk toe: snotjongen, kwibus, heertje; Zuzanna zegt met zwier: haal zeep, en sluit de poort. Et 't gansche stuk bestaat in verzen van die soortJ. Nomsz, Mengelwerken, bl. 19..
Zoo gaf Opterbeek, in 1740, eene gerijmde vertaling der hoogduitsche navolging door Brockes van Herodes kindermoord, van den Italiaanschen Dichter Marino, waarin de Mythologie met de christenleer wonderlijk dooreen gehaspeld zijnw. geysbeek, Woordenb., Art. Opterbeek..
Zonderlinger is het, dat verdienstelijke Dichters in dit gebrek gevallen zijn; om hier niet eens te gewagen van Sannazarius, (in zijn dichtstuk: de Partu virginis,) van Camoëns, van Milton, van Malherbe, die de Mythologie misbruikt hebben; en van Voltaire-zelven, die in zijne Henriade de Liefde volgens het denkbeeld der Mythologie beschrijftZie over Camoëns: Essai sur la poésie épique, van Voltaire, en over den IXen zang der Henriade - zelve: La Harpe, Cours de litt.; zullen wij slechts van Rotgans en D. Heinsius spreken.
De eerste doet zijnen held, Willem IIIDit heldendicht mag echter, niet tegenstaande meer dan ééne misgreep, tot een' tegenhanger van Van Haren's Friso strekken. Zie W. Geysbeek, ber. Woordenb., D. V, bl. 185, en De Vries, Gesch. der N.D., D. I, bl. 300., dien hij bedestonden laat houden, van Christus droomen, en gedurig in aanraking met Neptunus, Nereus, Thetis, Tritons, Najaden en soortgelijke zeegoden komen.
De tweede vlocht de godenleer in het verhaal der omstandigheden, die bij Christus dood plaats grepen, en gewaagde in hetzelve van Atlas, Natura, Cocytus poel, Pluto, Cerberus, Tisiphone, de Phlegethon, Typheus, en dergelijke mytholoogsche krullen meerLof-sanck op Jesus-Christus, te beginnen van het vers:
Het schutzel van de kerk zeer kostelyck geweven. .
De vernuftige Spieghel had echter reeds gezegdHertspieghel, B. I. v. 107.:
-_______ Ick doorwroet ons grondwóórd - ryke taal, En my uytheemse pronk: kort valt myn dicht en schraal: Licht werd ik ketter dies, by Rimers en Poëten. Kan dóch geen duitsche sant na grieksch mirakel heeten. ....................... Nereus nóch Doris nimf, nóch bosch - gód, my behaghen. Naiaden óf Napeen, die ons lui noit en zaghen, D'onduitse Hamadryen wy zelf met voorzicht vlienVlaming heldert deze plaats aldus op:
En my) Vermy.
Ketter dies) Lichtelijk zal ik derhalven als éen ketter gehouden worden.
Kan dóch gheen duitsche Sant.) Ik wil met het doen, dat is met het melden van mirakelen, daer de Grieksche schryvers van overvloeien, geen Sant in Nederlant heten.
En hij teekent daarbij aan: ‘'t Was een ziekte van des Dichters tydt, dat de Nederduitsche rymers waenden boven anderen te zullen uitmunten, door hun geleerdheidt ten toon te stellen, en met vreemde namen der Godheden, enz., hunne vaerzen te proppen. Gelijk noch buiten anderen in J.B. Houwaert, anders een maa van verstandt, overvloedig te zien is.’ - Deze Houwaert was een Brusselaar, dien men wel eens, zonder regt, den Brabandschen Cats genoemd heeft; en die even vergeten is als jonker Jan van der Noot, in zijnen tijd Prins der Nederlandsche Poëten genoemd, en door Cassandra aan de Dichters van Augustus eeuw tegenovergesteld. Zie Willems berigt over Van der Noot, Belgischen Muzen-Almanak, 1830, bl. 202.. .
Cookies on Poetry Cove