Tweede zang. I.
In 't zuidlijk Neêrland wordt geen enkel mensch geboren, En sterft geen schepsel, of de rijmlust springt te voren. Zij martelt ieder, die ter kraamfeest zich verheugt; R.I.P. baarde een letterkind, met meerder haast en vreugd Dan onze kraamvrouw: 't strekt om kindren af te schrikken, En lijkt den jongen beer, dien nog de moêr moet likken.
't Is nu een andre zaak: er stierf een Schoolregent. Rip, die als 't rijm niet gaat, hem naar den D...... zendt, Maalt, in gemeenen stijl, 's mans ongemeene gaven, Helaas! op éénen dag sinds lang met hem begraven. Hij voert meer Goden zelfs ten sombren lijksleep heen, Dan men er knapen, en betaalde liên, zag treên. Van diepen rouw verwoed, kan niets hem meer versagen. Ja, zelfs den dood wil hij ten tweestrijd, snorkend, dagen. Toch is hij niet zoo teêr; gewis sprak hem de Dood: ‘Kies! hem op aard te rug te zien, wien gij vergoodt, Wien gij uw vader noemt, of 't kunstwerk te verliezen?’ Hij zou, in dankbre vreugd, het laatste straks verkiezen. Gun nu den Schoolregent wat rust! Sta, Rip, sta af; Zing liefst een Requiem op uwer Zangster graf. 'k Beloof u, dat ik-zelf een grafschrift zaam zal knoeijen, En bij elk ziltedrop een inktdrop neêr doen vloeijenGemeenlijk zijn de rouwzangen getiteld: Ziltedroppen gestort op het graf van ..... en het dicht-zelve is dien titel waardig..
Dan zegge elk wandelaar, die Martlaressen acht: ‘Bloeit, distels, om dit graf; o aarde, dek ze zacht!’
Maar mag een huisgezin wel een Patroonfeest vieren, Dat moet een rijm, schoon geen Van Alphen 't maakte, sieren. Hoe roerend is het voor een teedren vader niet, Wanneer hij, bij den disch, zijn jongste zoontje ziet, Die, schoon hij in de school zijn lesje pas kan spellen, Alreeds, zoo moeder waant, een dichtje zaam kan stellen. De knaap volbrengt dus trouw zijn kinderlijken pligt, En voor een warmen kus schenkt hij een koud gedicht.
II.
Geen trouwfeest zonder dicht vooral! 't waar' regt te wraken. Hoe! zou men zonder dit aan geene fooi gerakenFooi, dus heet men in Vlaanderen de dans- of bierpartij, die men aan de geburen moet geven, als zij u met een dicht hebben mogen plagen.? Verbiedt, op doodstraf, eene ontzaggelijke wet Van immer zonder schoon, en langberijmd, placet, Ter eere van de bruid, wat diep in 't glas te kijken? Maar 'k laat het vragen daar; 't is zalf aan muren strijken. Wie hoort mij hier? 't is rep en roer: een ambachtsman Zag, dat hij 't kostje voor een vrouwtje winnen kan. ‘Het jaarschrift is al klaar; dat Rip een dicht vervaardig: Den Bijbel kent hij 't best: die keus is hij volwaardig!’ Roept ieder buurman. Bij 't vereerende bevel Bereidt zich Rip, opdat hij aan het werk zich stel; En geestdrift wil hij van een geestrijk vocht erlangen. Hij heeft voor 't vlaamsche dicht een fransche kroon ontvangen. Merk aan, dat Rip, die aan estamineégeld raakt Door zijne vruchtbre pen, uitzondring hierin maakt. Hij kan, ik weet niet hoe, als wijste zot der zotten, De buren voor goed geld met slechte waar bedotten. De pen in de eene hand, en de andere in het haar, Werkt hij één uur: - er zijn drie honderd regels klaar! Dael, Muysen dry mael dry, wil hier een lied beginnen, Terwyl ons vrienden zig van hun gelas bedienen.
Als Adam niet en wist, wie hy zou spreéken aen, Deed de algoede God een lustig dier ontstaen. Hy heeft het, t'wyl hy sliep, uyt Adams rib gestoólen. Dit dier hiet vrouw: een boer, of mensch, mocht licht hier doólen. Fluks lost hy d'hemelsluys; 't wiert juyst oprecht van doen. De wraeke dient gepleigt op deugeniet en cappoen! Als Noé's wyf kroop uyt de ark met haer gezinne, En wist zy waerlyk niet van wat vlas gaeren spinne. Dus zaagt hij voort en voort tot op den jongsten dag, Waar hij zijn drafje sluit met d'uitroep: wee en ach! Den echt raakt hij pas aan; maar wat men heeft bedreven, Of ooit bedrijven zal, staat netjes dáár beschreven. Wat reine, stoute taal¡ hoe zuiver rolt de maat¡ Men ziet, dat zich die bol op Bijbeldicht verstaat. 't Zijn verzen, als Minerve, uit godlijk brein gesproten. Zij schijnen mij met een Machine à feu gegoten!
III.
Maar rijmt in Holland ook de droeve rijmelaar Bij feest- en trouwdisch, bij de wieg en bij de baar, De Godsdienst doet voor ons een nieuwe rijmbron wellen, Waarnaar men 't rijmziek koor, in vollen draf, ziet snellen. 't Roept bij eene eerste Misse, in formâ, Pallas aan; En blijft verbijsterd, dom, gelijk haar vogel, staan. 't Smeekt bijstand van den God der kunsten en der dagen. Zoo hij bestond, hij kwam 't met zijne zweep verjagen. 't Bezingt op d'eigen trant, met stompgetreden geest, De Godgewijde Maagd op haar geloftefeest; Afgrijslijk wanbegrip! 't schreeuwt wraak tot aan de starren, Van met der Christnen God de Goden te verwarren!
't Gelegenheidsgedicht, daar munt men hier in uitMen kent de verzen van den heer Quetelet in zijn Epître à Tollens:
Laissant en paix Phébus et ses nobles concerts, Le Brabançon joyeux aime assez peu les vereWy hebben ons meest met Vlaanderen, en wel met deszelfs westelijk gedeelte opgehouden; trouwens vindt men dáár de meeste verzenfabrijkanten, uit hoofde der menige Rhetorijken, die West-Vlaanderen bezit. - Antwerpen plagt, over eenige jaren, ons op nieuwjaarsdag een letterkundig geschenkje te doen; het ijverig steedje Lier heeft Antwerpen daarin vervangen. Buiten het heerlijke Genootschap: Concordia, heeft Brussel hetgeen getiteld: Den wyngaerd. De ellendige mengelwerken door dit Rhetorijk uitgegeven, waren, als Huijgens zegt:
..... Dobbel waerd in 't licht te komen: Werdt maer mijn seggen wel genomen: Ick meen in 't vier, of in de keers.
Zij sijn waarschijnlijk door grootere liefhebbers van den wijngaard, dan van de Dichtkunst vervaardigd.. En les lisant il baille, et l'auteur satirique Peut seul vaincre parfois cette humeur léthargique. ..................... Mais j'ai, sans le vouloir, blessé plus d'un rimeur. D'ici j'entends déjà la cabale en fureur, Sur des journaux quinteux insolemment assise, Comme un crime d'état dénoncer ma franchise. .................. On peut............... Rire des sots auteurs et de leurs sots travers. Oui, le lecteur sensé que le bon goût éclaire, Peut dire avec franchise et sans être sévère: ‘L'Ouvrage de Van Geest mérite du succès; Mais à ses moindres vers pourquoi donner accès? Indigeste ragoût, son gros livre fourmille D'impromptus, de bouquets, de chansons de famille; Ici quelque cousin est l'objet d'un couplet, Et là de bel esprit un sot a le brévet. Près d'un extrait de mort un acte de naissance, Ornés de petits vers enfans de circonstance, Plus loin dans son recueil se trouve enrégistré. De ses vers de famille aucun n'est égaré; Et ses derniers neveux, au défaut de notaires, Pourront y retrouver les contrats de leurs pères.’ ¡ Ook heeft het eindloos nut¡ bezingt het de eedle Bruid, Heur dankbaar kroost zal zijn geslachtboom daarin vinden, Wen vlammen of de tijd den burgerstaat verslinden.
Maar denk niet, dat alleen 't Gelegenheidsgedicht Den Christen hier tot kruis kan dienen; 't viel te ligt¡ Men weet in ieder vak ons hoofd als dol te razen, En ieder vak kweekt trage of snelle letterhazen.
IV.
Puristus likt, en schaaft, en vijlt één vers per uurDe gedichten vau Jakob Lutkeman, Pater, Versteeg, Asschenberg, en van vele anderen, die tot de school van Feitama behoorden, bewijzen deu gevaarlijken invloed der verkeerde beschaving, die in hunne eeuw in zwang was.
HalmaIn zijn leven van Rotgans voor diens Poëzij. - Vad. Letteroefeningen, 1827, bl. 206. betuigde reeds aan Vollenhoven dat de eerstgekozene uitdrukking, als de vrijste uitstorting van den geest, gemeenelijk de gelukkigste is; en de ervaring van latere tijden heeft geleerd, hoe nadeelig voor de Poëzij dat eeuwige kunstelen geweest is:
........ 't was moeien, 't was verzachten, Verandren overal, verbrokklen en verkrachten,
zegt Bilderdijk, dien men daarover wel eens mag lezen, en nadenkenZie de beroepen verzen in Würth, Cours préparatoire à l'étude de la litt. holl., pag. 226. En raadpleeg Bilderdijk in zijn Fingal, II. 90.., Al waar' 't dukaten waard, het staat den rijmsmid duur. Zijn Zangster echter stapt stijf voort, als bij 't marcheren, Een loome boerenknaap, pas in soldatenkleeren. Als hij één regel schreef, vier woorden heeft gemist, Heeft hij ten minste er vijf, al preutlend, uitgewischt. Heeft hij te zeggen: 't is mooi weêr; ginds drijven vlagen; Hij zal Latijn, of Griek, of Gal een voorschrift vragen; Hij loopt daarmeê, als een barbier met nieuws, belaân, En lapt zijn werk een slip van Rome's purper aan. Maar Rimax is meer knap: stout weet hij honderd rijmen, Al staande op éénen voet, met kunst aaneen te lijmen. ‘'t Is met een heerlijk rijm, ‘roept hij,’ het meest te doen. ‘En is mijn rijmwerk slechts berijmd met goed fatsoen, ‘Gewis, dat ik dan elk in 't kunstperk nederbliksem. ‘De rijmslag is mijn zaak: geen Maro stelt zoo fiks hemMen zal hier dadelijk aan eene vertelling denken; Vondel, wien men vroeg, om op het woord bliksem te rijmen, antwoordde;
........... de donder en de bliksem, Waarop ik rijmen zou vond ik een woord in ixem.
In Focquenbroch's rijmlarijen leest men:
Hij, roepende fluks om een bliksem, Sprong op, zo luchtig als een koe; Maar zagt! ik vind geen rijm op ixem. Doch lijkwel: dat 's tot daaran toeEerste deel zijner werken, bl. 26..
David de SimpelZie zijne Beredeneerde ontleding van Dicht- Rede- Tooneel- en Uitgalmkunst. Yperen, 1826. D.I. bl. 34. - Tot schadevergoeding wil hij, dat derven op bederven, wezen [zelfstandig naamwoord] op wezen [werkwoord] rijmen; en, door eene even verkeerde théorie, wil hij bruischen, als rijmklank van suizen afkeuren. wil, dat men ook op het woord Poézij niet kan rijmen; welligt om den afschrik, dien dat woord den rijmelaars aanjaagt. Wij verwijzen hem naar het 15de vers van onzen eersten Zang.. Service accéléré, door weêer, noch wind gestuit, Al wat hij weet, of waant te weten, spuwt hij uit. Wat hij des morgens las, zal hij des avonds schrijven, En hij holt voort, en voort, en voort in 't slaaploos wrijvenDit vers mag als eene nabootzing aanzien worden van dat van Voltaire in zijn pauvre diable:
Il compilait, compilait, compilait.
Toen men den Abt Trublet, die door dit vers bedoeld werd, en wien het niet aan smaak ontbrak, het voorzegde, antwoordde hij dadelijk: ‘Un sot auroit pu faire ce vers, mais il ne l'auroit pas laissé.’. 't Is waar: hier stoot de maat, dáár raakt de rede zoek; Maar 't rijm klinkt helder op, en zijne borst is kloek. Geen liedjeszanger is tot rijmgeknoei meer vaardig; 't Zijn klippelverzen, regt als hij den kluppel waardigDe latijnsche Leonina, die naar een' parijschen geestelijken der XII of XIVde eeuw, Joannes Leonius of Leoninus genoemd werden, noemde uien mede ropalici versus (fustibus digni), ‘als weird om met den klippel afgerost te worden’Zie het gebrekkige werkje: Vlaemschen prosodia. Mechelen, 1791. bl. 29...
De Gal, die zich, en 't volk, somtijds vermaken wil, Schrijft Vaudeville of Liedje, en laat het daarbij stil. 't Zijn heldenverzen, die dit altijdrijmend wezen Ons offert, die hij-zelf, al geeuwend, ons komt lezen.
V.
Hoe! vormt een Heldenvers alleen den letterheld, Die 't blinkend eereperk, met kogelvaart, doorsnelt? Ja, volgens uw begrip; wee, die u tegenspreken¡ Want u zou een cartel in heldenverzen wreken. Elk stuk, een lijnbaan lang, is daarom niet min slecht; En 't spreekwoord: kort en goed, wordt nooit daarvan gezegd. Op dichtervrijheên roemt ge, als op de zijne een schilderPictoribus atque Poëtis.... zullen velen hier uitroepen. Weinigen zal het gezegde van Francaleu in de Mètromanie bevallen:
‘Monsieur, la poésie a ses licences, mais. Celle-ci passe un peu les bornes que j'y mets.’ . In dichtervrijheên was een Zwanenburg niet wilder. 'k Sta u de vrijheid toe, dat gij me soms verdriet, Dan eeuwig, Rimax, neen! die vrijheid geef ik niet. Schoon één verdienstlijk vers mijn ongeduld ontwapen, Ik mag in heel uw stuk geen goeden regel rapen. Eer vond ik bloempjes op de schors der eiken staan, En kroegen op den onafmeetbren oceaan; En liever zoude ik ook al zijne droppels tellen, Dan uwe neven, ooms en verdre medgezellen.
Uw neef was 't, die ons iets op Nero's gruuwlen boodZie de 16de aanteekening van den IIIden Zang.. En, letterkunsttijran, verveelt hij tot den dood. Hoe! Nero, zegt hij, durft zijn vrome gâ doen sterven, De heilige echtband met zijn ijzren vuist doorkerven? Maar hoe had zulk een vrouw aan zijne woede ontsnapt, Daar hij zelfs op Poppé met forsche zolen trapt? Een woest, een blind gevoel doet heel zijn ziel ontbranden, De hel laait uit zijn borst, en kokende ingewanden. Hij spoort den schuilhoek op, waarin, tot Rome's ramp, De sprank ontkiemde van zijn sombre levenslamp.
Roem, Rimax! uw geslacht¡ 't Zal met uwe eer vergrooten; 't Kweekt, aan Bombasto's huis gehuwd, de schoonste loten, En kleedt zijn vlaamschen stijl in 't oostersche gewaad, En waant, dat dit zoo schoon als vóór drie eeuwen staat. Het wil van Goden slechts, van vorsten, helden lieren‘'k Zal Priaams heldenhof en edele oorlog lieren.’
Pels, Dichtk., bl. 12.
‘'k Zal Mozes, Amrans zoon en zijne wondren lieren’
N. Versteeg, Moses, bl. 1. , En, trots een kruipend spoor, door hooger kringen zwieren.
VI.
't Ontneêrlandscht vlaamsch Tooneel, nog Kotzebue ten prooi, Nog door 't vertalersgild gedoscht in franschen tooi, Aan Dichters even arm, als rijk aan oefenaren, Schuilt in een duisternis, door gaz niet op te klaren. De fransche schouwburg heft 't ontzaggelijke hoofd, De vaderlandsche treurt, van glans - en geld - beroofd. Voorheen mogt de Aristark toch Cammaerten berispenCammaert, een vlaamsche poëtaster, gestorven in 179., maakte eenige erbarmelijke treurspelen, waarvan wij ons niet eens gewaardigen de titels af te schrijven. - Hij heeft mede de Dichtkunde van Boileau, zonder daarom van zijne rijmziekte genezen te zijn, vertaald, en het vlaamsche publiek een heldendicht, in X zangen, geschonken. Ik bedoel zijne berijmde vertaling van Quintus-Curtius. Hij verdient eene eervolle plaats naast Hermannus van den Bosch, die, volgens zijne eigene bekentenis, ‘bijna niets van het latijn wist’, en de 44 boeken van Justinus in rijm bragt.. Is 't bet of erger nu? de stof ontbreekt tot gispen.
VII.
Maar tot vergoeding schonk ons P.... een Heldendicht! Wanneer ik slapen wil, ben ik hem hoogstverpligt. Hij zingt een vlaamschen held, 't bezingen overwaardig, (Den braven Lyderik, tot Moeders hulp strijdvaardig, Wiens onschuldwrekend zwaard eenn' dwingland sloeg ter aard,) En zoo 'n mishandling na zijn dood gewis onwaardLyderik de Buck, eerste boschwachter van Vlaanderen, doodde den reus, of dwingeland, Finard, en won hierdoor den vrijdom der gevangene Princes, zijne moeder Ermegarde.
Het heldendicht, dat hem ten onderwerp heeft, vangt aldus aan:
Ik zing één' vlaamschen held, vol kindermin gedreven, Die 's moeders boei verbrak door 's vaders benl te sneven, 't Eerst Vlaandren woud-heerschap door deze daad genoot, En 't kwijnend Vaderland van roovers heeft ontbloot.
De prospectus van dit heldendicht, was reeds een meesterstuk van wantaal, en zal waarschijnlijk buiten de medewerking van den heer Priem aan deszelfs opstel in de wereld gestooten zijnZie het te Brussel uitgegeven weekblad Argus, D. III, bl. 186..
Liefst schrijven wij af, wat een recensent van een ander zijner dichtstukken zegt, daar hem deze plaats ter aanwakkering en onderrigting kan strekkenHetzelfde werk, D. III, bl. 214.: ‘Het bekroonde stuk van den heer P.A. Priem te Brugge, voldeed ons bij uitnemendheid wel, en draagt de blijken van eenen allezins gelukkigen aanleg; van tijd tot tijd is hij te gul met sieraden, te onbepaald in zijne uitdrukkingen, en weleens wat stootend in zijne versificatie. Somtijds gebreekt bet hem aan het regte woord, en hij vergeve het ons, dat wij hem nog eenige studien aanbevelen...... Zoo hij zich die moeite getroosten wil, of liever, zoo hij zich deze uitspanning verschaffen kan, dan zal het hem gemakkelijker vallen, om voort te gaan; dan kan hij ons nog lang met zijnen arbeid verheugen’Je veux bien aussi avouer qu'il y a du génie dans les écrits de Saint-Amand, de Brebeuf, de Scudéri, de Cotin même et de plusieurs autres que j'ai critiqué. En un mot avec la même sincérité que j'ai raillé ee qu'ils ont de blâmable, je suis prêt à convenir ce qu'ils peuvent avoir d'excellent. Voilà, ce me semble, leur faire justice, et faire bien voir, que ce n'est point un esprit d'envie et de médisance qui m'a fait écrire contre oux. Boileau, voorrede zijner hekeldichten.. Amen.. Onsterflijk Voorgeslacht, voor welks altaar wij knielen, Wanneer zal eens uw roem den vlaamschen Bard bezielen, Die u in heldendicht, met Helmers ziel, bezingt, Terwijl de erkentnistraan ons vonklend oog ontspringt? Intusschen gaat een P.... met IJpren's lauwren strijken, En ziet - in hoop - zijn beeld bij 't beeld van Maro prijken. Dat zelfs geen Helmers aan Wiselius bevall'Wiselius in zijne Welmeenende toespraak aan jeugdige Dichters ( 1826) bedoelt Helmers, dien hij Diombrus noemt, wel meest in de volgende regels:
Wat mensch, die taal verstaat en ooren heeft, kan hooren Van eedle vrijheidszucht, een land als ingezworen, Van wijl, niet voor dewijl, maar voor terwijl gesteld, Van wat, wat wil me aan mij - me ontvoert mij met geweld, Van oorlog voor het regt triumfelijk te voeren, Van lustig zeeschuim, dat de wat'ren kan beroeren. Van rinkinkte op den grond - 't land schiep van zulk een volk, Van in slagordens breekt met zijn afgrijsbren dolk? Van kerkvrijbuiters van 't wild schenkt? Maar wie kan noemen, Wie volgen 't keurmuziek, waarop onze eeuw mag roemen? Hier haRtveRscheuRbRe nood, die iedRe kRacht veRlamt, Daar die in 't duistRe weRkt, en d'arm deR wRaak veRstRamt, Hier Bachus, Papirus, Chili, Idomeneus, Daar Parnas, Duilius, ginds Thalia, Theseus, Of Peneus en Stuart.......... Diombrus maakt een vers en schrijft er Liersang op: Barst, (vangt hij aan) barst los, mijn snaren! Stijge in top Uw gloed, geschokte ziel! - Doorren op stoute vleuglen Den reinen aether! - ken geen band! - verscheur de teuglen, De boei van 't logge stof.... voor 't oog der Vadren Gôon. Wie dit bevat is slim, nogtans keurt Krito 't schoon, En vriend Bombasto mêe.......... Diombrus midlerwijl, door Krito's lof gespoord, En 't juichen van het dom gepeupel, holt steeds voort. Kamschatka plaatst hij in de buurt van Enna's dalen. Ginds doet hij 't levenslicht veel vroeger Cook bestralen, Dan Tasman. - Nu eens wordt de Athener hoog geroemd Om 't wijken uit zijn muur, en straks daarom gedoemd. Er is nog veel meer fraais. - Zoo zien we (o kunst van dichten,)! 't Lirneisch wangedrocht geveld door Febus schichten. Ook brengt (ô vreemde zaak! ô wonder nooit gehoord!) Dodona's eikenbosch Apollo's lauwer voort. 't Is wel een chaos; want, pluist gij het na, gij vindt Voor beelden klanken en voor zaken louter wind. , 'k Wed, dat hij nooit het werk van P.... bedillen zal. Want zoo een schrijver, tot Bombasto's schrik geschapen, Het lezen wil, hij zal, als Holofernes, slapen.
VIII.
Nu, dit verpoost de zorg; schaars kan er kwaad bij zijn, Bacchant kan meerder doen: als in zijn gram Jupijn, Doet hij geleerden zaam en ongeleerden beven, Wanneer hij voor de vuist zijn zang heeft aangeheven.
Zijn dondrend heldenvers jaagt ieder uit het bed, En heeft de ontwekkingskracht der schettrende trompet. 't Is alles Bombast, zoo versleten, dat daar tegen De goede smaak sinds lang verjaring heeft verkregen. Hij klooft met de elpen lier den oceaan vaneenDit vers staat zoo omtrent in Zwanenburg, vervelender Gedachtenis. Cuique suum! voeg bij die spreuk pulchrum, zij zal meer algemeen zijn. - Feitama meende dezen hollandschen nachtegaal geene grootere eer te kunnen bewijzen, dan met zijn grafschrift per centones uit 's mans werken zamen te stellen: het luidt aldus:
Doorluchte rijmers, valt uit wanhoop aan het dichten, Om tot de sterren toe een grafzuil op te rigten. Hakt wouden van kaneel, klooft bergen van robijn, Schreit oceanen uit, kleedt de aarde in zwart satijn, Of liever scheurt van rouw alle uwe dichtpapieren; Doet van uw jammergalm al de onweerwinden gieren; Rukt Phebus lauwerbosch doldriftig uit den grond; Meldt, op uw Maroo's troon, door 't gansche wereldrond, Dat de overwreede dood dien Phenix in het brommen, Aartspauker't Woord Pauker of Poker, beteekenende een keteltrommelslager, is dikwijls bij dezen dichter gebruikt. - Zijn naam komt hier op verschillende wijzen geschreven voor: wij zullen dit gewigtig punt in eene verhandeling ex professo wel eens ophelderen. Swanenburg, voor eeuwig doet verstommen. , De dondrende Etna stroomt, bruist door zijn aanzijn heen; Hij schiet, op Condors wiek, door 't warlend niet; zijn brommen Doet panter, sfinx, hijeen, en rotsen zelfs verstommen. Ik doop het: valsch vernuft; hij doopt het: poëzij. De Apocalypsis zelfs zou klaarder zijn voor mij.
Kan dan de valsche smaak zoo ingekankerd wezen! Verdwaalde, spreek! hebt gij dan Tollens nooit gelezen? Gij, die 't verleidend pad van Zwanenburg beslaat, Wien niet de lezer, - die u-zelven niet verstaat, Kunst is het stout te zijn, en toch niet overdreven; Niet vergezocht, toch nieuw; niet duister, toch verheven. Wien deert het niet, als hij, die ligt iets worden kon, Ons toonen toebrult, waar hij lauwren mede won; Die, liet hij zich door 't dom gepeupel niet vervoeren, Met minder arbeid, meer zou streelen en ontroeren.
Hoor toe, op welk een toon, wen hij naar 't eerloof dingt, Hij, buldrend, de ijslijkheid des burgerkrijgs bezingtZie hoe de Brusselsche ArgusDeel III. bl. 213. spreekt over de verzen, die den aanvang van een dichtstuk, door de letterkundige (?) Maatschappij van Ostende bekroond, uitmaken: ‘Zoo schreef men over honderd jaren in Holland, en zoo schreef men voor twaalf jaren nog onder onze ouderwetsche Belgische gildebroeders. Dan in de laatste twaalf jaren zijn wij er vijftig vooruitgegaan, en van daar dat in onze dagen zulke brommende ijslijkheden bespot en gefloten worden. De dichter stelle het daarom een toontje lager, want dat bevordert de verstaanbaarheid, en lokt de toejuiching uit.’ Na eenige goede verzen van M. De Simpel aangehaald te hebben, voegt er de Recensent bij: ‘Op die wijze ga hij voort. Er zijn nog in zijn dichtstuk verscheidene plaatsen, die ons de verzekering geven, dat hij er de bekwaamheden toe heeft, en hij hoore daarom naar onzen welmeenenden raad’.: Afzigtig onderwerp! Den burgerkrijg bezingen. Reeds voel ik de angst door ziel, en spier, en longen dringen. Ik hoor een schor gehuil, dat door de klooven brult; Een baldrend monster rijst, de aard wordt met schrik gekuld. 't Is de Oproer, om wiens kop de geele kronkelslangen, Met schuifelend gebies, al zwadderspuwend, hangen. Een paarsche zwaveltoorts vlamt op zijn somber spoor, Het beukt de rots tot gruis, en boort den bodem door. Natuur deinst huivrend af; haar kreet, vol buldrend woede, Loeit dus de volken toe: - Genoeg ik ben 't al moede.
IX.
Maar elk klimt niet tot in den derden hemelboog. Neen; menig wroet op aarde, en in ons kortziend oog, En blinkt in Lierzang uit, waar de opgedolven pieren Hun rol in spelen, als een Talma¡ eedle dieren¡ Aan hengelaars, doch meest aan Dichters nuttig ding, Bij u gelijken zij den broozen sterveling. Nogtans in de Elegie moet gij voor 't roosje zwichten. Ik zie het liever in mijn tuin dan in gedichten. Nog hoeft er 't duifje bij, en Filomeel, die treurt, En zefirs, serafijns, en vlinders, rijkgekleurd; En 't zilver bronkristal, waar zwanen zich in spiegelen, De zon bij klaren dag, de maan des nachts in wiegelen; Daar hebt gij 't A.B.C. van veler knutslarij, Den inventaris van hun nieuwe Poëzij¡ 't Zijn arme schilders, die 't penseel van andren huren; 't Zijn bedelaars, die zich gaan warmen bij geburen; Al zwiere men met dien gestolen tooi zoo prat, Als of men voor zijn werk pensioen verkregen had.
X.
Want zeg: wie is altijd door hoogmoed meest bezeten? Aanhoor maar Kraspen, en gij zult het spoedig weten. ‘Cats is geen dichter, neen! een zekre Bilderdijk Verheft hem, “zegt men mij,” maar hij heeft ongelijkDit zeide mij een langoor: ik hoor Bilderdijk ruim zoo gaarne:
“O Cats! als dichter meer dan al die u verachten! “Gij, wien de dank behoort der laatste nageslachten “Aan wien ik (wie 't ook zij, die op uw eerkroon smaalt) “Ook zelfs de lauwren dank, aan Pindus voet behaald!Mengelpoëzij. Rott., 1823. Deel III en IV, bl. 302.
Ondanks zijne eentoonige versmaat, langgerekte voordragt en epitheta perpetua, schatten wij mede den Dichter hoog, wien men onlangs te Brouwershaven een standbeeld heeft opgerigt. Wie heeft er bij het verhaal van Rosette en Galant, (dat aan Wieland de stof van zijn' Oberon later opgeleverd heeft,) niet geweend? De Brune noemde niet onaardig zijn werk: De bibel der jeughtZie De Vries in zijne Verhandeling over de vraag: Welke zijn de vorderingen, welke is de verachtering der Ned. Dichtk., gedurende de achttiende eeuw in vergelijking van vroegere tijdperken? onder het Art. Cats, wien hij wel beoordeelt. -- Buiten De Vries, zijn als, bronnen voor onze letterkundige geschiedenis, te raadplegen: J. Le Long, Valerius Andreas, Foppens, Paquot, Saxen, Van Wijn, Ypey, Willems, Van Kampen, Siegenbeek, Würth en Witsen Geysbeek..
“Het leerzaem schoon, zegt MacquetZie zijne verhandeling : Over het schoon in de poëtij, in de werken van de Maatsc. van Ned. Lett. te Leijden. Deel III, bl. 64. is de oorzaek van het algemeen genoegen, dat men in Cats vindt. Hij kende de waereld, hij kende het menschlyk hart, hadt veel vernuft, door de fraie wetenschappen, en omgang aen de hoven beschaefd. Geen werken van een Nederlander zyn zoo dikwyls herdrukt, geene in zoo vele vreemde talen overgezet”Het leerdicht van Grotius op den waren godsdienst uitgezonderd. Zie W. Geysbeek, ber. Woordenboek onder diens Art.
Deze werken hebben zulks gemeen met het werk: De imitatione Christi. De flandricismen, die men in dit, door Leibnitz zoo hooggeschatte, werk ontdekt, beslissen het pleit, waarin zich meer dan honderd vijftig schrijvers ingewikkeld hebben, ten voordeele van oozen beruchten Landman..
Hij voegt er bij: “tot lof van onze Natie moet men zeggen, dat onze beste Dichters dit leerzaam schoon behartigen. Niemant onzer goede Poëten heeft nog getragt den Godsdienst te ondermynen, de zeden te bederven.”
Zoo schreef men in 1777, en wij schrijven zulks ten huidigen dage met edele fierheid af: onze naburen mogen zoo veel niet zeggen. Niet waar, Gallo-Belgen?. Cats vers staat stijf en hard, elk ziet mijn vers steeds vloeijen. 't Zijn heldenverzen, ja; zij flikkren, glinstren, gloeijen; Ja, rollen raatlend rond; ja, vlammen als een hel;’ 't Zijn helsche verzen, ja; gij zegt waarachtig wel. Met o, met ja, met neen, weet gij den zin te binden. Het is toch ook een man, die zulk geheim kan vinden¡ Kunt gij nu nog niet voort? gij stelt de stippen dáár, Als sombre La Martine, en zie - het stuk is klaarEen Nederlander, die de jeux de mots bemint,
L'esprit de ceux qui n'en ont pas ,
zoo Sédaine zegtPoëme didactique sur le vaudeville., en die het, tot dubbelzinnigheid zoo geschikte, fransch spreekt, om naar de mode te zijn, zeide laatst: ‘ces auteurs là nous montrent sans cesse les points’ (poings.)
De sombere en dikwils treffende La Martine, die de Nuits d' Young en Atala, als l' ouvrage à la mode bij Franschen en Gallo-Belgen, eens vervangen heeft, volgt de les van La Harpe:
C'est dans les points sur-tout qu'il faut s'évertuer. Et le talent consiste à savoir ponctuer.
Stippen vervangen de transitien bij dien romantiquen schrijven, die infelix ponere totum is..
Al weet de Schrijver niet, wat hij daar door wil zeggen De lezer is min dom, en hij weet ze uit te leggen. .................... .................... .................... ...................?
'k Sta bij de mode-letterkunst van Frankrijk stil. God dank! dat niemand haar in Neêrland volgen wil, Noch door zijn duister werk den Belg poog' te verlichten; De logge Belg verstaat geene onverstaanbre dichten. Al zweept de Gal zijn dichtros aan een doodskar voort, Nog heeft geen uilgekras, bij nachtmist, ons bekoort. God dank! Scarron, weleer in Nederland herboren, Zingt nu niet meer, tot schrik van de afgemartelde ooren. 't Is uit met Focquenbroch; die Feniks van Parnas, Sinds lang ten vuur gedoemd, verrijst niet uit zijne aschHij parodieerde de herderszangen van Virgilius, en de eerste boeken van den Eneas: hij volgde mede in zijn' Reuzenstrijd den Typhon van Scarron, waarvan Boileau gewaagt.
Doctor Rusting behoorde tot dezelfde school. R.I.P.. 'k Beken, dat hier, God dank! geen school Neologisten En schrijf- en drukkersinkt baldadig durft verkwisten Hier plant geen Schrijver, dol van spijt, de krijgsbanier, Opdat het klassische op 't romantisch zegevier, Zelfs (en dit 's zeker veel, opdat het ons ontwapen) Heeft nooit het Albumvers eens Vlamings ons doen slapen, Maar ook Bombasto werft, en wint hier daaglijks aan, En, met zijn fiere kruin, stoot hij der starren baan Sublimi feriam sidera vertice.
Zegt de Venuzijnsche DichterOd. L.I. 1...
XI.
Zoo 't wezen moet, mij kan nog meer een lìed behagen, Waar martelaars der liefde en kunst zich in beklagen, Al schrijven 't minnaars niet: 't had iets van Bellamij, Waar dat wat min gerijm, wat meerder rede bij. Maar 'k denk, als 't in de zon van koû mij doet verstijven, Niet altijd zit hij warm, die zulk een lied moet schrijven, Al zegt hij, dat een vuur door al zijne adren snelt, Dat hij, als 't kaarsjen, aan zijn Laura's vuuroog smelt.
Al schetse zijn penseel de graven en prieeltjes, Zoo liefjes als men kan, en zoo sentimenteeltjes. Al stort hij, in elk vers, om zijne Wreede een traan, Ik blijf zoo roerlooskoud, als zijne Wreede staan. Neen, wat de Min vermoog, den volgeschonken liter, Herschiep de Min hier nooit in zachtgestemde citer, Schoon hij er 't smistuig in penseelen heeft verkeerd, En, zonder dwingen ook, naar 't spreekwoord, zingen leert Liefde leert singhen, Ook sonder dwinghen. Amor docet musicam.
Zie over dien knappen Rossini het 1e zinnebeeld der eerlijke vrijagie van vader Cats..
Maar ook geen vlaamsche vrouw kan vlaamsche zangen lezen. ‘Is 't Neêrlandsch?’ - Ja. - ‘Foei! weg! 't kan du bon ton niet wezen.’ Geen Laura drukt een kusje op 's minnezangers lier, En rag bedekt ze, in plaats van mirt en eerlaurier. Of zoo een vrijster naar een vlaamschen Nazo hoorde, Die waande, dat hij door zijn' kunst haar 't meest bekoorde, Hij ziet des anderdags, met bleekverschrikt gezigt, In papillot verkeerd 't heur kunstmin roemend dicht.
Cookies on Poetry Cove