VI.
Alleen het Hekelschrift kan veler aandacht trekken. Maar zoo 't hen kwetzen wil, 't zal hunne woede wekken. Die meest verslingerd is op bitse spotternij, Is altijd meest vergramd, raakt iemand hem nabij. 't Gelegenheidsgedicht komt ieder 't felste plagen. Want, naar mijn rekening, kan 't slechts aan drie behagen: Aan d'armen rijmer, hem, dien hij bezongen heeft, En d'armen buur, die daar zijn laatsten duit aan geeft. 't Is waar, dat voor dit slag van vers geen Raadsels zwichten, Het zij ze in 't dagblad staan, het zij in Heldendichten;
En dat ge op elke markt een markt van Liedjes ziet, Waarop de Béranger van 't dorp zijn kunstwerk biedt.
Zoo bood hij, die Achil vereeuwigde in zijn zangen, De hand, der lier gewijd, om 't karig brood te ontvangen! Ons Vlaandren lijkt hierin ten minste aan Griekenland, Schoon kunst wat min hier bloei dan eens aan Hella's strand.
'k Rep van de Jeugd niet, die, schoon zij geen leerzucht bande, Alleen de spraak bemint, het erfdeel onzer schande; Barbaarsch in één taal slechts: de taal van 't Voorgeslacht! En fransch, tot in de ziel, in boeken, spraak en dragt. Le bon Dieu kan zij best, helaas! Godlastrend zingenEen bij onze verfranschte jeugd vrijalgemeen bekend godloos lied van BérangerDe heer Willems in een' der brieven aan den heer Stassart over het geschilpunt, of het fransch vroeger de volksspraak van België was, (zie de Vaderlandsche letteroefeningen, dezes jaars, Mengel. No VIII, IX en XI.) verhaalt dat hij, een' jongeling zeer godvruchtig in schijn met een' Béranger in de hand heeft zien misse hooren. Waarschijnlijk las de Antwerpsche Tartuffe La messe du St. Esprit van den losbandigen Liedjeszanger..: Geen roerend volkslied klimt in haar verwijfde kringen; O Jeugd, zoo neêrlandsch bloed u nog in de aders vloeitAanvang van een bij diezelfde jeugd vrijalgemeen onbekend volkslied van den zanger der Overwintering op Nova-Zembla:
Wien neêrlandsch bloed in de aders vloeit Van vreemde smetten vrij, Wiens hart voor Land en Koning gloeit, Verheff' den zang als wij.
Van onze gewoonlijke liedjeszangers ware er welligt partij te trekken, tot bevordering van den volksgeest. Het is waarlijk geene gemakkelijke zaak, als men ten doel heeft op eene doelmatige wijze nut te stichten, den regten volkstoon te treffen. Wij bezitten nog geene théorie op de volkspoëzij, die echter uit de liedjes van Wester, Wolff, Deken en eenige anderen niet moeijelijk te ontwerpen zou zijnZie W. Geysbeek beroepen Woordenboek, deel VI, bl. 465, waar men een hartelijk volkslied van Wester aantreft. - Over de liedjes van verschillenden aard bij de Grieken leze men: Hagedorn, Abhandlungen von den liedern der alten Griechen. Bern, 1771. V Theil.., Van vreemde smetten vrij, rijs! - 't vreemde zij verfoeid, Waar 't aan het Neêrlandsch schaadt, en d'aard der eedle Belgen Verzaken doet: ken, ken uw waarde, als Bato's telgen! Klap, zing geen vreemden na, bij Vrijheids zegepraal! Ja, vaderlandsch gevoel eischt vaderlandsche taal!
'k Rep niet van menig, die, met schampren lach, verbasterd Beneden wilden zelfs, de Poëzij belastertParny, (aan wiens talent wij, even als aan hetgene van Béhanger, volle regt laten wedervaren, schoon wij het helsch misbruik, dat zij er van maakten, verfoeijen) bragt eenigen tijd met de wilden van het groote eiland Madagascar over, en heeft ons eenige hunner liederen doen kennen. Zij zijn zwarten, gaan schier naakt, en kennen onze kunsten niet. Echter bezitten zij eene natuurlijke poëzij, die, wordt zij naar geene groudregels beoefend, daarom niet zonder verdiensten is. Het lied: Vaïna munt onder dezelve uitGudin zegt van hetzelve; ‘Cette simplicité de moeurs et de langage est d'un bien plus grand effet sur le coeur, que tous les prodiges des mille et une nuits. Les Grecs n'ont rien écrit de plus simple et de plus touchant, que ce dialogue..... L'or et les pierreries que l'on rapporte des Indes ne vaudront pas cette chanson pour les gene de goût.’., - Voor 't godlijkscheppend brein, (dat ziel en zinnen schokt, Dat hemelwellust schenkt,) gevoelloos en verstokt.
Ik rep van hen niet, die de taal der Vaadren doemen, Op de onkunde in die taal (o schandlijke eer!) zich roemen, En zelfs beweren, dat, wie Neêrlandsch schrijft of spreekt Zijn valschen smaak verraadt, - gemeen is opgekweekt. Verachtren van 's Lands taal, verfranschte basterd-Belgen, Voelt 's Hemels wraak! zijn vuur moet geenszins u verdelgen:
Dat gij haar, als gij dwaalt in vergelegen oord, Nooit uit den mond eens Belgs, bij kus en handdruk, hoort!
Slechts in de fransche krant gaat men geleerdheid zoeken, Dáár, waar de liters staan voor uitgekipte boeken - Voor 't Dichtrenlavend vocht lambiek of uitzet loopt, En men de dommigheid bij pint en pot verkoopt. Spreek op, wat vindt men dáár voor Pindus maagdenkoren? Geef antwoord zelf! ik bloos! Voor hem is kunst verloren, Die slechts bij kan en kaart uitspanning zoekt en vindt. Verfoeilijk landsgebruik, dat deugden zelfs verslindt!
Cookies on Poetry Cove