VI.
't Ontneêrlandscht vlaamsch Tooneel, nog Kotzebue ten prooi,
Nog door 't vertalersgild gedoscht in franschen tooi,
Aan Dichters even arm, als rijk aan oefenaren,
Schuilt in een duisternis, door gaz niet op te klaren.
De fransche schouwburg heft 't ontzaggelijke hoofd,
De vaderlandsche treurt, van glans - en geld - beroofd.
Voorheen mogt de Aristark toch Cammaerten berispenCammaert, een vlaamsche poëtaster, gestorven in 179., maakte eenige erbarmelijke treurspelen, waarvan wij ons niet eens gewaardigen de titels af te schrijven. - Hij heeft mede de Dichtkunde van Boileau, zonder daarom van zijne rijmziekte genezen te zijn, vertaald, en het vlaamsche publiek een heldendicht, in X zangen, geschonken. Ik bedoel zijne berijmde vertaling van Quintus-Curtius. Hij verdient eene eervolle plaats naast Hermannus van den Bosch, die, volgens zijne eigene bekentenis, ‘bijna niets van het latijn wist’, en de 44 boeken van Justinus in rijm bragt..
Is 't bet of erger nu? de stof ontbreekt tot gispen.