Skip to content
1842

De spellingsoorlog

Prudens Duyse

Bl. 39, v. 6.

De groote Boschbandiet stond aengemeld.

Belgie zwyge voor het aenschyn des Meesters! hy spreekt in den § 413 zyner Verhandeling, in druk de Commissie toegezonden, aldus: ‘Toen over eenigen tyd, eenen voorstaender der (sic) Hol-landsche dialekt aen eenen Vlaeming zeyde: Het doet my niet, dat dit of dat zelfstandig naemwoord tot het mannelyk of tot het vrouwelyk geslagt behoort; maer er is my veel aengelegen te kunnen weten of dit of geen woord in den nominatif of in den accusatif staet: dan antwoordde dien Vlaming: Het doet my meer het geslagt te kunnen onderscheiden dan den naemval. Hadde zulks in Holland plaets gehad, ik zou my zoo leelyk niet bedrogen hebben; toen ik, aldaer op eenen plakbrief de groote Bandiet leezende, dacht, dat er dien avond iets wonderlyks ging verrigt worden. De groote Bandiet, zeyde ik by my zelven, is wel zeker iets buytengewoons; en ik was derhalve zeer verlangende om het stuk te zien: maer hoe stonde ik versteld, wanneer ik zag, dat die groote Bandiet eenen man was, in plaets van eene vrouw, gelyk ik my voorgesteld had.’ Bormans, die voor den Meester de oogen niet nederslaet, haelt die woorden aen, en voegt er oneerbiedig genoeg by (Verslag, blz. 567): ‘En wat antwoordde de goede Hollander daerop? Behaegel zegt het niet’.... De Professor heeft zelfs de stoutheid van de bovengemelde woorden: ‘Ik zoudé my zoo leelyk niet bedrogen hebben’ aldus te commentarieren: ‘Leelyk voorwaer! want die dommekop had toch wel moeten weten, dat hy in Holland was! of kende hy misschien niet beter het Hollandsch gebruik, dan onze grappige Behaegel dat der ouden?’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De spellingsoorlog · Prudens Duyse · Poetry Cove