XXI.
‘Behaegel sprekende van de koninglyke Commissie weet (in zyne Verhandeling over de Vlaemsche Spelkunst)’ van persoonen, in staet van zulke zaeken wel te kennen, dat men het vertrouwen van den Minister bedrogen heeft, en dat die zaek (hy bedoelt de Commissie) niets anders is dan eene cotery (lees coterie, want van koteren non agitur) om het Vlaemsch en het Hollandsch te doen smelten (hy wil zeggen te doen samensmelten) en aldus onze nationaliteyt ten aenzien der taele, uyt Belgien te doen verdwynen. (Willems, Bydragen voor Letteren en Kunsten, III. 21.)