Skip to content
1842

De spellingsoorlog

Prudens Duyse

Blz. 22, v. 2.

Hy is onsterflyk: 'k zal hem in myn Dichtkunst stellen.

Deze redenaer schynt de Sosie te zyn van een ander heer, over welken wy reeds, nu elf jaren geleden, het volgende schrevenVlaemsche Zangberg, bl. 83.. ‘De zeker niet onverdienstelijke heer Van Loo, van Brugge, heeft eene Nederlandsche Dichtkunst, in 1828, by Prospectus voorgesteld, een dichtwerk, dat uit meer dan 2,600 verzen bestaen moet. Dit Prospectus deelt de volgende verzen mede tot eene proeve:

Is 't niet de blonde Auroor, TithonUs jonge bruid, Met rozenvingren, die ons d'oosterkim ontsluit? En als de gouden zon de dagster gaat verbannen, Gaan d'uren niet met vlijt de vlugge paarden spannen Voor haren wagen, wijl de groote Phoebus zelf De vuurge kleppers dryft door 't hoog azuur gewelf, Door niemand buiten hem te mennen of te dwingen, Als ik den nachtegaal hoor zoo verrukkend zingen, 't Is Philomelas stem, die haren hoon en smaad In treurgezangen nog de wareld weten laat. En hoor ik breed en wyd des oorlogs donder kletteren, 't Is Mars met zyn gevolg, die 't aardryk dreigt te pletteren.’

Sedert 1828 is die Dichtkunst ongedrukt gebleven, en haer ryk schynt het gemis van het Brugsche Wetboek niet gevoeld te hebben: de wetgever komt eene nieuwe pooging te doen, om 't boek uit te gevenSedert dat wy dit schreven is de Vlaemsche Dichtkunst in vier zangen, te Brugge verschenen..

Wy laten gaerne 's mans yver regt weêrvaren, en pryzen zyn moed: hy ten minste heeft niet geaerzeld aen de oproeping ter zamenkomst van den 23 october 1841 te beantwoorden, terwyl de heer Behaegel zyn stelsel, by verstek, heeft laten veroordeelen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De spellingsoorlog · Prudens Duyse · Poetry Cove