Blz. 7, v. 5.
Zoo waer dit palmhout nimmermeer herbloeit.
Zegt de hoofdman van 't gilde der Spellingsprotestanten, by 't heen werpen der schoolplak. Ons dunkt, dat de man hier het oog gehad heeft op Achilles, die, by 't wegsmyten des stafs, met gouden nagelen geklonken, uitroept: ‘Ik zeg en zweer een hoogen eed, by dezen scepter, die geene bladeren of takken meer zal voortbrengen, of nog ontspruiten, nadat hy op 't gebergte afgesneden en met het scherpe van bladen en schors ontbloot is. (Ilias, I. 233.)