II.
De velden slapen, zwijgen - Geen halmken roert daar meer... De slapende alven hijgen: de geest der nacht daalt neer. Daar spant hij als een reus de ravenzwarte zwingen, en iedre roeislag van zijn schacht doet, in 't geschemel van den nacht een gloed van sterrenvonken blinken, die traagzaam, over zee en land, als uit eene zaaiende godenhand, op de aerde zinken. Duizend spottende geestjes vliegen, fladdrend rond hem, op wazen wieken! Eerste halfkoor van nachtgeesten: Van blad op blad, langs slanke boomen, spreidt ons leger over de aerd'; waar malsche weiden in 't donker doornen, spelen wij, hand in hand geschaard. Miljoenen perels in 't donker glansen, blanke perels, meiendauw; wij garen ze alle tot kronen, kransen, hupplen, dansen, in der hooge boomen schauw!
Vol-Koor: Eia! Eia! die schelmen, die klaren! duizenden sterren ons dansen bestaren! Tweede halfkoor van nachtgeesten: Rond halm en bladeren werpt de spinne looze, booze netten uit. Wat krijgt die zotskap in den zinne? Meent zij dat ze ons vreugde stuit? Rond ieder bloemken in wervelkringen, vlug in 't rond maar, ongestoord! De krekels zullen de walze zingen: Wij - Wij springen immer voort! Vol-Koor: Eia! Eia! die schelmen, die klaren! duizenden sterren ons dansen bestaren! De Geest der nacht: Diep in de rozen daar wonen vogelkens in. Ziet haar eens slapend blozen onder mijn kozen, de blanke Dag-alf die 'k bemin! Ziet heur eens blozen. der alven vorstin!
Koor der geesten: Eia! Eia! die schelmen, die klaren! Duizenden sterren uw liefde bestaren! De Geest: Zoo zij wou opengaan de lelie blank? 't Slaperken op wou staan, bij mijn gezang! 'k Zoende haar de oogen en spande de schacht; 'k droeg haar ten hoogen door de eindlooze bogen, veel hooger dan de mane lacht! De Alve: Zijn 't wondre droomen die spieglen in mijn zin? Zijn 't slanke boomen die fluisteren van min! Zijn 't windjes die spelen mijn donzen wiege rond? Wat zoete, honigzoete mond kwam mij de wangen streelen!.. De Geest der nacht: Ik min u, Alve van het licht!
Zij: O stralend aangezicht, bekoorlike oogen! Ik bloos tot in de ziel bewogen!... Ik min u... Hij: Kom hier, op mijn boezem, en gansch de nacht met mij door de sferen gevaren! Ik sier met sterrenrobijnenpracht uw rozige haren! - Waar wilt gij gaan? Langs d' Alpentoppen wiegen, u baden in den zilverglans der maan, op eenen enklen stond van noord- naar zuidpool vliegen! Waar wilt gij gaan? - Gij, geesten, heft den bruidzang aan! Geestenkoor: Alve, schoon gelijk de zwane, zijt gij en uw aanzicht blank! Toovrend kaatst de roode mane op uw wang... Reiner toch is 't liefdelicht glansend van uw aangezicht... Nachtuilen in de nabijheid: Oe-oel! oe-oel! oe-oel!
Zij: Wat waart daar waggelend onder ons, zoo zwart? Wat aaklig zoevend vlerkgegons? Mij kilt het hert! 't Is als een spokenschaar... Zie toch... wat blikken, hoe brandend, hoe naar! Hij: Waarom toch schrikken? 't Is uil en vledermuis die sabbath vieren en zoevend rond wagende toppen gieren! Verjaagt ze, geesten der nacht! Geestenkoor: Wij komen, komen, komen, bereid ter dolle jacht, en draven op zoevende schacht rond heuvels en boomen! Op donkere pennen rennen boschkat en uil door 't woud; piepende vledermuizen suizen zwaar wagglend door 't hout! -
Ons helmen zullen uit bloemen zijn, de dolk, een doren loos en fijn; tot knots een puntigen distel gevat, tot schild een elzenblad! En - Wip! wij zitten hen op den kop, walzen op hen rond der beuken sop; slaan met de spoor, trekken hun de oor, hollen en bollen, gezwind als de wind, kolken en wolken door!
Cookies on Poetry Cove