II.
O zoete lust, bij blijden zomertijd
u weer te zien, dorp, waar ik ben geboren!
daar tuinen, velden, boschjes, dicht en wijd
volzalig blaakren in het middaggloren.
Dan sta ik uren op de heuvels. Wijd
in 't Noord, de boomen over, lonkt de toren
en 't glimmend gouden haantje, dat van tijd
tot tijd de schalksche windjes komen storen.
De boeren groet ik, die op hark of riek
geleund, het zwartgebrande pijpken stoppen
of vochtige kluiten van hun blokken kloppen;
en 't lieve blondje, blozend als een kriek,
dat, op het klaverland, heur lied doet klinken,
lonkt zacht mij toe, met lokkend oogenpinken.