Skip to content
1881

Lentesotternijen

Pol Mont

I.

Langzaam daalt weer de avond neer over woud en weide; lauwe lucht zweeft heen en weer over woud en weide. De bedauwde meerschen doomen nevelwalmen, licht en blank; tusschen de suizende ruizende boomen, sterft de laatste vogelenzang. In het Westen duikt de zonne 't bloedend hoofd in 't wolk enmeer; langs de vlakte zweeft, vol wonne, 't kwelende spelende silfenheer.

Stemmen beantwoorden malkaar in de verte: 1ste. Te Meien, te Meien, des avonds langs het riet, welk lievend paarken gaat zich niet vermeien, langs het riet? 2de. Zij kozen, zij kozen, en wisslen zoen op zoen. Dat hooren slapend tusschen 't groen, de rozen... Zoen op zoen!... 3de. De sterren, de sterren, belonken 't wonder spel! Hunne oogskens spieden nog zoo hel van verren, naar 't wonder spel! Alle drij te samen: Te Meien, te Meien, des avonds langs het riet, welk lievend paarken gaat zich niet vermeien, langs het riet?... Een horen toet driemaal in de verte:

de torenwachter zingt. De zon verdwijnt in bloedge pracht... De zee is stil... de sterre lacht... De ruwe dagtaak is volbracht... De ruste wacht... Dagelven zingen, beantwoord door den avondecho. Zie, hoe de kimme donkert, - donkert... de bloemekens gaan ter rust..., - ter rust, het windeken heeft ze toegekust, - gekust, en ster bij sterre donkert, - flonkert, vol schelmschen spiedenslust! - lust! lust! Plooit zachtjes thans de matte veder, gij, elven des dags, van fladderen moê... vleit in de donzige kelken u neder: flus zijn ze toe, - toe... toe! flus zijn ze toe! - toe... toe! Eene der dagelven: Ziet! Daar zweeft langs de blauwe baren, zusters, uwe koningin, wiegend, als eenen vool, de haren lang en zwierig, om heur leden. Heur zachtblauwe oogen fonklen als van het vuur der min, en lijze, droomend, voortgevlogen ziet ze in het spieglend, glimmend meer een wondre schimme, slank en teer,

heur glansend komen nagegleden! Nu zweeft zij langs de rozen rond; de stammen buigen zacht! De kelken brengt zij aan den mond en zie,... zij lacht, zij lacht! Liefdrijk, teeder lacht zij naar ons, plooit stil de rozenverwige veder en vleit zich in der bloemen dons, half reeds sluimerend, zachtjes neder. Koor der Alven: Sluimer zacht... sluimer zacht! U streele, gansch den hellen nacht, gouden, glansende droomenpracht! Stemmen schier onduidlik in de verste verte: Te Meien, te meien, des avonds langs het riet, hoe menig paarken gaat zich niet vermeien langs het riet? - Een hoorn toet drijmaal. de torenwachter verkondigt: Nacht! Nacht! Vredige stilte langs wal en gracht... Rust, menschen, zacht! Gods oog houdt over de aerde wacht!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Lentesotternijen · Pol Mont · Poetry Cove