Stemme: Yets moet ick u lommer vragen. Huyden eer de gulde wagen Wierdt van Delius gedragen, Ras beneden onse Kim, Wierdt nae luycking van mijn oogen Knap mijn dommel-geest ontogen, Door gesichtens schemer-schim.
'kSagh uyt 'sHemels silv're Salen Eerst Apollo neder-dalen, Stijgend op het hoogh Parnas, Waer de Nymphjens en Najaden, Vlochten t'saem uyt Nivis bladen Eene kroon van groen gewas.
Daer nae op de else-tackjes Hoord' ick lieffelijck en mackjes, Philomela quelen uyt, Die de Hengstens-spring-brons-s ad'ren Door 'tsoet ruysschen scheen te nad'ren Met sijn dobbel keels-geluyt.
Dies Apolloos handt vermetel, Sittend' op sijn groene Setel Door sijn rechte vinger-dans, Speelde op sijn soete Vedel, Met gelaet, soo hoofs, soo edel, Dat hy kreegh den Lauwer-krans.
Tusschen 'tsoete quinckeleren Hoorden ick gestadigh eeren, Ende roemen NOORENBURGH, Die nu vijf-en veertigh jaren G'luckigh steeds is voort-gevaren, Waer voor Gode draegt de sorgh.
Loff, loff, riepen al de Magen, Dat een Vrouwe heeft gedragen Desen Phoenix van ons Eeuw: Geenen Phoenix nae de Werelt; Maer die Zielens-woonst' beperelt Nae de aerdt van Iudaes Leeuw.
Heden wierdt dien Heldt geboren Die veel liever liet verloren Al 'tverganckelijcke goedt, Dan sijn Schepper te ont-eeren, Die sijn Segen gaet vermeeren, En na Ziel en Lichaem voedt.
Ey laet u doch, met ons allen, Sijn Geboortens-Dagh gevallen, In het Iaer van tachtigh vijff, Doe een Vrouwe wel geluckigh, Door de barens-noodt seer druckigh Baerd' een Loff die eeuwigh blijft.
Hier mee sloot hy sijne Reden, En is schielijck wegh getreden Binnen s'Hemels Opper-Zael, Ick ontwaeckte, en deelachtigh, Wensch ick dat u Godt Almachtigh, Van sijn Erff maeck al-te-mael. Een of Geen.
Cookies on Poetry Cove