Skip to content
1634

Jeugdige minne-spiegel

Pieter Nootmans

Naeu had het blinde Wicht dees Reden in-geluystert Of 'ksagh de bange Nacht van 'tswarte kleedt ontduystert, De glans van Phoebi-strael beglansde mijn gesicht, En schietend' uyt mijn slaep, schreef' dit slecht-vaersig Dicht, Om thoonen wat een eer en vreugdt hy kan vergaren, Die, buyten geylheyds-tocht, door Echt-lust tracht te paren, Wat swaerheydt hy verwindt die zielens-neyg-lust doet, En sijn verliefde lust in echte liefde boet, Doch yder ist bekendt, hoe't wulps en geylheyds leven, Den volger van haer tocht, heeft sware boet doen geven, Wat onlust, wat gevaer, wat prickel tot het quaet, Wat tergingh des gemoeds, wat boos onheylsaem zaet, Wat Winter-Son van luck, wat Somer-tijdt van lijden, Wat droefheyt zy bereydt tot loon van voor-verblijden,

Wat etter-stock van stanck, wat af-grondt vol verdriet, Wat op-getooyde Pronck van 'swerelds sotheyds-Niet! Maer soo wie recht in-volgt, ziels-tock-lust tot het goede, Kan onmins-licht-bekoor, en ziels-onluck verhoeden; Geen liefd' ontwesend' oyt, maer geyle Minne doodt, En Liefde boet de liefd', maer Min haer lust vergroot: Iae selfs, de Liefde is een stichtelijcke goetheydt, En swemmen doet den mensch in Tagys over-vloedheydt: Al wat sy siet of raeckt, al wat sy krygt of voelt Is liefde ongetergt, mits haer de deught verkoelt: Sy dringt door yser, stael, jae d'alder-koutste Noorden Sy tot haer eygenschap en kuysche walmt bekoorde, Geen sterckheydt des gemoeds, op eygen sin geheydt, Geen bolwerck des verstands, geen lust soo vast geleydt,

Geen Zielens-Wensch soo groot, of diep in 'thart geresen, Of moet Liefds eenigh Wit, in't lest, gehoorsaem wesen, Als volgt uyt mijn besluyt: Siet wat sy heeft gedaen, Met die, die Liefde noyt tot liefd' heeft konnen raen! Heeft Aristoot'les niet (wiens g'leertheydt wonder dede) Sijn trouwe Lieff Hermy eer-bied'lijck aen-gebeden! Wierdt Platoos dapp're geest, in't soecken der Ideen, Door Archenasses Liefd' niet klackloos af-gesneen! Aspasie, wel eer, kon Socrates bewegen, Wiens statigh wesen noyt tot yetwes was genegen! Aristoclea self haer Strato soo beviel, Dat sy in't nare Woudt hem tot haer Af-godt hiel! Iae oock de echte Liefd' heeft sulcke kracht bewesen In 't teed're vroulijck hart, dat yder die sou vreesen,

En heeft haer eygenschap voor desen meer gethoont, Dan sy, laes!, nu in ons, of inde Vrouwen woont. Moest' Iulia, helaes! door 'sMans waen-wetigh sterven, Haer eerst-geboren Vrucht, en 'sWerelds-Licht niet derven? Dronck Portia niet in, ontsinnig, vol getiers, Om hare Bruti doodt, veel gloey'ge kolen vyers? Dorst Marinella niet, door Malons langh verwachten, Haer selven in een Put met haren Soon versmachten? En Artemesia at, sonder wee of pijn, 'sMans heet-verbrande asch, om met hem eens te zijn! Siet wat de liefd' vermagh in 'tharte van de menschen, En dies te meer in die, die om geen Liefde wenschen; Want hoe sy vanden Mensch noch meerder wordt versmaet, Hoe sy hem grooter kracht, in't laetst' beproeven laet.

Dies mijn seer waerde Vriendt, om schuwen soo veel quaden, Laet hem, door liefde selfs, tot Echte Liefde raden, En schakelt sijne liefd' soo vast door sijne trouw, Dat hy van Anna Bijl maeckt sijn een-ziel'ge Vrouw: Een Vrouw, waer in hy vindt sijn eygen ziels-behagen! Een Vrouw, die hy bemindt tot d'eynde van sijn dagen! Een Vrou, wiens liefd' hy lieft, wiens droefheyt, smart en pijn Hem niet dan onlust kan, en tijds mis-noegen zijn: Dies Bruyd'gom ick u wensch met uwe Bruydt te leven Soo langh de gulde Son ons sal haer schijnsel geven, En dat ghy nae u doodt t'saem', met ons al-te-mael, Moogt eeuwigh met den Al betreden 'sHemels-Zael.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jeugdige minne-spiegel · Pieter Nootmans · Poetry Cove