I. Voor het inslapen.
‘Moeder, moeder, hoor den wind eens!
Zeg, is vader nog op zee?’ -
‘Kind, uw vader keert straks weder,
Dan omhelst hij u weer teeder!
Liev'ling, leg u rustig neder!
Sluit uwe oogjes! Slaap in vreê....’
‘Moeder, moeder, hoor den storm eens!
Zeg, is vader nog niet aan?’ -
‘Kind, uw vader zal wel komen!
Leer uw ongeduld betoomen!
Slaap gerust en ga maar droomen:
Ik zal straks eens kijken gaan....’
‘Moeder, moeder, hoor d' orkaan eens!
Ligt zijn' schuit nog niet op 't strand?’ -
‘Kind, gij moet mij met uw' vragen
Niet zoo onophoud'lijk plagen!
'K zal mij nu naar buiten wagen;
Moog'lijk is hij aangeland.’