III. In moeders armen.
‘Moeder, moeder, hoor eens even!
Kom eens aan mijn bedje staan!’ -
‘Kind, wat wilt ge mij dan vragen?
Zult ge 't leed mij helpen dragen?
Och, een kind, zoo jong van dagen,
Is nog met geen leed begaan....’
‘Moeder, moeder, 'k wil wat zeggen,
Dat u vast weêr lachen doet!’ -
‘Nu, hier sta ik aan uw' sponde.
Heel thans, zoo gij kunt, mijn' wonde!
Lach niet, kind, uw lach is zonde!
Slechts uw' tranen doen mij goed....’
Jantje kon niet treurig wezen!
Dat deed moeder vrees'lijk pijn! -
Maar met lachjes in zijne oogen,
Zeî hij, om haar' hals gevlogen:
‘Moeder moet haar' tranen drogen,
Jantje zal dan vader zijn!’ -