De liefde
Ik die uit heilig zaat gebooren,
De melk van 't blanke geitje zoog,
Dat blinkt aan 's Hemels sterreboog
Laat u myn zegengalmen hooren.
Ik strooij op uwen Bruiloftsdisch,
Likoris, frissche minneroozen,
Zo als ze op Klioos kaaken bloozen.
Wanneer zy in verrukking is:
En haar van heiligvuur voelt raaken,
Den grooten Herder eer bewyst,
En zynen naam in lofzang pryst,
Die 't hart in liefde moet doen blaaken:
Als zy de goude nooten leest,
En volgt den toon der Harpenaaren,
Of kust, gekroond met lauwerblaâren.
De lieve Moeders op dit feest.
Dat kan Amintas 't hart ontfonken,
Die op zyn vrolyk Jaargety,
Met eenen krans van Poëzy,
Door de Allerliefste word beschonken.
ô Bruidegom! hoe word uw ziel
Ontfonkt, hoe smeltze in 't vuur der minne,
In de armen uwer zielsvriendinne,
Die u dus opgetogen hiel'!
Gy moogt uw bloemen welstand geeven,
De bloem der deugd blyft altyd frisch:
Die op het kleed der Godsvrucht is
Met goud en Hemelsblaauw doorweeven.
Uw ryk begaafde Herderin,
Moet gy voor haare tedre klanken,
Met kusjes van de min bedanken,
Zo gaat het Jaar van Wellust in: