De Liefdadigheit des Samaritaans jegens een gekwetsten Jood.
De Priester en Levyt, vervreemd van medelyden,
Zien eenen Jood gequetst: doch trekken 't zich niet aan,
Schoon hy om bystand kermt, en met de dood moet stryden;
Maar eindlyk vindt hy hulp by een Samaritaan.
Een vyand zalft zyn wond, en wil hem 't leeven spaaren!
Godt eischt barmhartigheid, en doemt de huichelaaren.